Rechtspraak
Appellant was op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst van werkgeefster. Op 11 juni 2013 is werkgeefster failliet verklaard. Op 19 juni 2013 vraagt appellant bij UWV een faillissementsuitkering op grond van de WW aan. Bij besluit van 24 juni 2013 wijst UWV de aanvraag af. De rechtsmiddelen van appellant leiden ertoe dat UWV bij beslissing op bezwaar appellant in aanmerking brengt voor een faillissementsuitkering. UWV neemt de onvervuld gebleven loonaanspraken tot een bedrag van in totaal € 40.904,49 over. De kosten van een vliegticket en de kosten van huur van een verblijfsruimte in Colombia in de periode van 1 februari 2013 tot 16 april 2013 neemt UWV niet over, aangezien de reis naar Colombia volgens UWV geen zakelijk karakter had. De rechtbank verklaart, na het ingestelde beroep van appellant, het beroep in verband met motiveringsgebreken gegrond, vernietigt het bestreden besluit, en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Ten aanzien van de reis naar Colombia oordeelt de rechtbank dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij om zakelijke redenen in Colombia heeft verbleven. In hoger beroep stelt appellant dat de reis naar Colombia een overwegend zakelijk karakter had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Appellant is op 1 februari 2013 vertrokken naar Colombia. Zoals blijkt uit de e-mail die hij voorafgaand aan zijn vertrek aan zijn werkgeefster schreef, was de reis ingegeven vanuit de wens om het huwelijk met zijn aldaar woonachtige vrouw te redden. In de verscheidene e-mails die werknemer aan werkgeefster stuurt, is geen sprake van werkzaamheden die appellant in Colombia ten behoeve van zijn werkgeefster heeft verricht. Evenmin wordt werkgeefster in die e-mails aangesproken op een vergoeding van reiskosten. Uit de door appellant overgelegde stukken blijkt niet dat of hoe werkgeefster appellant de opdracht heeft gegeven voor de reis naar Colombia. Wel zou kunnen worden afgeleid dat appellant werkzaamheden heeft verricht die betrekking hadden op het terrein waarop ook zijn werkgeefster actief was, maar uit de stukken volgt niet dat appellant de werkzaamheden ten behoeve van zijn werkgeefster heeft verricht. Hieruit volgt dat de kosten van de reis naar Colombia en het verblijf daar niet kunnen worden aangemerkt als kosten waarop appellant uit hoofde van de dienstbetrekking jegens werkgeefster aanspraak heeft. Het hoger beroep slaagt niet.