Naar boven ↑

Rechtspraak

Incontinentie vormt ‘kenmerk’ als bedoeld in artikel 9 onder e Schattingsbesluit, zodat hier bij het bepalen van het arbeidsongeschiktheidspercentage rekening mee moet worden gehouden.

Appellant, werkzaam als medewerker automatisering, valt in februari 2010 uit wegens een chronisch pijnsyndroom. Bij besluit van april 2013 stelt UWV (na een verlengde wachttijd) vast dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, nu appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard. In hoger beroep stelt appellant dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, nu uit het in het kader van de Ziektewet verrichte onderzoek blijkt dat werknemer een conversiestoornis heeft met overwegend motorische uitvalverschijnselen, waardoor er een incontinentie bestaat voor urine en ontlasting. Partijen, maar ook verschillende verzekeringsartsen, verschillen van mening over de vraag of voornoemde conversiestoornis aan te merken is als een psychiatrische stoornis waaruit beperkingen kunnen voortvloeien.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De door de Centrale Raad van Beroep als deskundige benoemde psychiater komt tot de conclusie dat appellant lijdt aan een conversiestoornis met motorische symptomen en uitvalsverschijnselen. De verzekeringsarts in bezwaar en beroep heeft deze stoornis ten onrechte niet erkend. Voornoemde psychiater kan zich voorts niet verenigen met de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgelegde beperkingen. Artikel 9 onder e van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten bepaalt dat indien betrokkene zodanige kenmerken heeft, dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem in bepaalde arbeid te werk te stellen, die arbeid bij het bepalen van het arbeidsongeschiktheidspercentage buiten beschouwing dient te blijven. Deze bepaling is bedoeld om te waarborgen dat sprake is van een reële schatting, in die zin dat de kans dat betrokkene de voorgehouden functies ook daadwerkelijk kan bemachtigen, niet louter theoretisch mag zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant volledig incontinent is voor zowel ontlasting als urine, zodat appellant afhankelijk is van incontinentiemateriaal. Volgens de deskundige is de kans groot dat de geur van ontlasting door derden (bijvoorbeeld klanten of collega’s) geroken wordt. Bij de vraag naar de passendheid in medisch opzicht voor appellant van de voorgehouden functies komen de aspecten van mogelijke hinder voor collega’s en de gevolgen voor het werk niet aan de orde. Het bestreden besluit wordt dan ook, evenals de aangevallen uitspraak, vernietigd met de opdracht dat UWV een nieuw besluit op bezwaar neemt, men inachtneming van het voorgaande.