Rechtspraak
Appellant ontvangt na zijn ziekmelding op 3 september 2013, vanuit een situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling ziet appellant op 4 augustus 2014 een verzekeringsarts. Deze arts acht appellant belastbaar met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 augustus 2014. Een arbeidsdeskundige berekent dat appellant nog 80,23% van zijn loon dat hij verdiende met zijn werk als algemeen medewerker bij X kon realiseren. UWV stelt bij besluit van 22 augustus 2014 vast dat appellant met ingang van 3 oktober 2014 (de datum in geding) geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van zijn zogeheten maatmaninkomen. Het bezwaar en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit zijn ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat niet kan worden gesteld dat de verzekeringsartsen over onvoldoende informatie beschikten om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking, gelet op de onderbouwing van dat standpunt in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 februari 2015. Het in hoger beroep overgelegde besluit dat is genomen op grond van de per 1 mei 2015 in werking getreden Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten leidt niet tot een ander oordeel. Aan dit besluit komt geen doorslaggevende betekenis toe, omdat hierbij een ander toetsingskader wordt gehanteerd dan bij een ZW-beoordeling (zie ook de uitspraak van de Raad van 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:698). Aan het besluit ligt een rapport ten grondslag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep M.J.M. Manders van 17 januari 2017. Dit rapport bevat geen medische gegevens, zoals door de verzekeringsarts bezwaar en beroep G.A.C.G. Durlinger in een rapport van 30 maart 2017 overtuigend is gemotiveerd, die aanleiding geven appellant (op de datum in geding) meer of zwaarder beperkt te achten dan door de verzekeringsartsen is vastgesteld. Manders heeft appellant namelijk pas gezien op 29 december 2016 en aannemelijk is dat een toename van inactiviteit in de periode na de datum in geding heeft geleid tot een toename van beperkingen. Het hoger beroep slaagt niet.