Naar boven ↑

Rechtspraak

De Centrale Raad van Beroep komt wegens het ontbreken van procesbelang niet toe aan de vraag of het Dagloonbesluit een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen een zieke werknemer en een niet zieke werknemer.

Appellant verricht sinds 23 juli 1984 werkzaamheden bij naam B.V. totdat de arbeidsovereenkomst in 2013 na een reorganisatie is beëindigd. Bij besluit van 26 juli 2013 brengt UWV appellant in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (het oude WW-recht), berekend naar een dagloon van € 195,96 (destijds het geldende maximumdagloon). Appellant ontvangt vervolgens afwisselend een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), verricht arbeid en ontvangt een WW-uitkering. Hij verricht op 9 september 2013, vanaf 12 maart 2014 en na een korte onderbreking van 17 dagen vanaf 29 april 2014 via een uitzendbureau werkzaamheden. Na een ziekmelding ontvangt appellant vanaf 8 september 2014 een ZW-uitkering tot hij op 3 augustus 2015 werkzaamheden gaat verrichten voor een andere werkgever. Aan deze werkzaamheden komt op 21 augustus 2015 een einde. UWV brengt appellant bij besluit van 19 augustus 2015 met ingang van 24 augustus 2015 in aanmerking voor een WW-uitkering (het nieuwe WW-recht) tot en met 23 augustus 2018, berekend naar een dagloon van € 104,11. UWV berekent het dagloon op grond van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit), zoals dat gold met ingang van 1 juli 2015. Bij beslissing op bezwaar van 16 december 2015 (bestreden besluit) verklaart UWV het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 augustus 2015 gegrond. UWV besluit dat het oude WW-recht herleeft en dat appellant recht heeft op deze uitkering tot en met 31 oktober 2017. Appellant voert in hoger beroep aan dat hij gedurende de referteperiode, die loopt van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015, een aanzienlijke periode een ZW-uitkering heeft ontvangen en UWV bij de dagloonberekening is uitgegaan van loon gebaseerd op 70% van het ZW-dagloon (€ 130,79). Hierdoor is sprake van een substantiële inkomensachteruitgang. De wijziging van het Dagloonbesluit met ingang van 1 juli 2015 heeft tot gevolg dat ziekte tijdens de referteperiode leidt tot een aanzienlijk lager dagloon en een WW-uitkering die gedurende de gehele uitkeringsduur doorwerkt. Er is volgens appellant sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen een zieke werknemer en een niet zieke werknemer, zonder dat hier voor een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwijsbaar is.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Bij het bestreden besluit heeft UWV het oude WW-recht laten herleven, gebaseerd op het maximumdagloon, en een maandloon van € 4.348,91. Appellant ontving met ingang van 24 augustus 2015 voor de duur van het oude WW-recht (tot en met 31 oktober 2017) WW-uitkering, berekend op grond van, in totaal, een maandloon van € 4.348,91. Ter zitting heeft appellant desgevraagd bevestigd dat hij geen inhoudelijke bezwaren heeft tegen het herleven van het oude WW-recht. Appellant heeft aangevoerd dat als na 31 oktober 2017 het oude WW-recht eindigt en hij terugvalt op alleen het nieuwe WW-recht (zijnde een maandloon van € 2.264,39), hij belang heeft bij een rechterlijk oordeel over de hoogte van het dagloon van het nieuwe WW-recht. Het standpunt van appellant ter zitting van de Raad dat wat is aangevoerd tegen het door UWV vastgestelde dagloon in een latere procedure niet meer aan de orde kan komen, is onjuist. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 15 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8531, gaat dit standpunt eraan voorbij dat het aspect dagloon niet als een zelfstandig deelbesluit is aan te merken. Het oude WW-recht loopt in ieder geval door tot en met 31 oktober 2017. Voorts is gebleken dat appellant onlangs werk heeft aanvaard. Of appellant in de toekomst werkloos zal zijn of worden na 31 oktober 2017 en of de nieuwe werkzaamheden in dat geval relevant zullen zijn voor de aanspraak op een WW-uitkering, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis zodat hierin geen belang kan worden gezien voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Indien appellant in de toekomst nog steeds werkloos zou zijn of zou worden, dient UWV de aanspraak van appellant op een WW-uitkering opnieuw te beoordelen aan de hand van de op dat moment relevante gegevens. Het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak kan hem in dat geval niet als in rechte vaststaand worden tegengeworpen, nu appellant de hogerberoepsgronden tegen de aangevallen uitspraak immers wegens het ontbreken van een voldoende actueel belang niet meer in rechte aan de orde heeft kunnen stellen.