Naar boven ↑

Rechtspraak

Er is geen sprake geweest van een dienstbetrekking tussen appellante en de uitzendorganisatie en appellante heeft de onjuistheid van dit standpunt van UWV niet met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk gemaakt.

Appellante stelt van 15 november 2010 tot 13 mei 2011 als algemeen medewerker in dienst van een uitzendorganisatie te hebben gewerkt. Met ingang van 16 mei 2011 is zij in aanmerking gebracht voor WW, per 16 augustus 2011 voor ZW, per 17 oktober 2011 voor een WAZO-uitkering, per 6 februari 2012 voor ZW en per 3 februari 2014 voor WGA. In een rapport werknemersfraude van 17 juli 2014 heeft een inspecteur van UWV geconcludeerd dat appellante niet heeft gewerkt bij de uitzendorganisatie en daarom niet is verzekerd voor de werknemersverzekeringen. De aan appellante vanaf 16 mei 2011 betaalde uitkeringen uit hoofde van WW, ZW, WAZO en WGA worden op basis hiervan door UWV bij verschillende besluiten van appellante teruggevorderd. Het bezwaar en beroep van appellante hiertegen worden ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat UWV zorgvuldig en toereikend onderzoek heeft verricht en op grond daarvan voldoende aannemelijk is geworden dat van een dienstbetrekking voorafgaande aan de melding van werkloosheid geen sprake was. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante er niet in geslaagd de onjuistheid van het standpunt van UWV met tegenbewijs aannemelijk te maken aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens. De aanwezigheid van salarisspecificaties, kwitanties, de arbeidsovereenkomst en de ontslagbrief achtte de rechtbank ontoereikend.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot betaling van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in onderling verband worden bezien (HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926). Bij een belastend besluit tot terugvordering als hier aan de orde is het aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat UWV feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking. Als op grond daarvan aannemelijk is dat appellante ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringen heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. Hierbij komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren. Hetzelfde geldt op grond van vaste rechtspraak van de Raad ook voor de eerste verklaring(en) die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd (zie de uitspraak van de Raad van 1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0957).

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellante en de uitzendorganisatie en dat appellante de onjuistheid van dit standpunt niet met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk heeft gemaakt. Onder meer is uit het door UWV verrichte onderzoek gebleken dat appellante zich geen naam van een inlenend bedrijf kon herinneren, de werklocaties niet kon duiden, geen namen van collega's kon noemen en tegenstrijdig verklaarde over betaling van het loon. Hieraan voegt de Raad toe dat de twijfel van de rechtbank aan de authenticiteit van de volgens appellante op 12 november 2010 opgestelde en ondertekende arbeidsovereenkomst wordt versterkt door het feit dat de in dit document als eigenaar en werkgever aangeduide persoon, in het handelsregister pas vanaf 13 december 2010 als enig aandeelhouder van de uitzendorganisatie is vermeld en vóór die datum niet in enige hoedanigheid in verband met dit bedrijf is vermeld. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.