Rechtspraak
Appellante is op 29 juli 2009 met psychische klachten uitgevallen uit haar werk als verkoopster bij een drogisterij. Bij besluit van 1 juli 2011 heeft UWV appellante een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 100%. Met een wijzigingsformulier van 5 mei 2012 heeft appellante aan UWV doorgegeven dat zij met ingang van 17 april 2012 voor 16 uur per week als flexibel inzetbare medewerkster is gaan werken bij KFC Holdings B.V. (KFC). Zij heeft daarbij melding gemaakt van door haar gevolgde trainingen en therapieën en van een recente opname in een ziekenhuis. Ook heeft zij te kennen gegeven moeite te hebben met administratieve zaken en daarbij hulp nodig te hebben. Appellante heeft bij het wijzigingsformulier een kopie overgelegd van de met KFC gesloten arbeidsovereenkomst, een zogenoemde min/max-overeenkomst. Vervolgens heeft appellante op verschillende momenten loonstroken van haar inkomsten bij KFC (via haar re-integratie- en casemanager) aan UWV gestuurd. Bij besluit van 7 juli 2014 heeft UWV gesteld dat appellante in verband met haar (hoge) inkomsten waarschijnlijk geen recht meer heeft op uitkering, dat haar uitkering vanaf 1 juli 2014 als voorschot zal worden uitbetaald en dat haar uitkering één keer per zes maanden definitief zal worden berekend. Bij een drietal besluiten heeft UWV vervolgens de uitkering van appellante over onderscheidenlijke periodes herzien, teruggevorderd en een boete opgelegd. Het bezwaar en beroep hiertegen worden (gedeeltelijk) ongegrond verklaard. In hoger beroep wijst appellante op haar psychische gesteldheid, haar verzoek om hulp en haar contacten met UWV. Appellante meent naar beste kunnen melding te hebben gedaan van haar gewijzigde inkomsten, terwijl UWV haar daarbij, ondanks haar verzoek om hulp, geen ondersteuning heeft geboden. Appellante heeft voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen sprake heeft geacht van een 'reformatio in peius'.
De Raad oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dit beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen als zij destijds wel de juiste feiten had gekend. Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van één of meer eerdergenoemde situaties. Geoordeeld wordt dat de rechtbank het standpunt van UWV dat appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij te veel uitkering ontving inderdaad ten onrechte heeft onderschreven. UWV was bekend met een traumatische voorgeschiedenis van appellante, in verband waarmee zij verschillende therapieën en trainingen had gevolgd en nog volgde. Appellante heeft voorts onder meer toen zij werk had gevonden, UWV hiervan op de hoogte gesteld en UWV een kopie van haar arbeidsovereenkomst met KFC doen toekomen. Hieruit bleek duidelijk dat het om een min/max-overeenkomst, dus om een wisselend aantal uren, ging. Uit de wijze waarop appellante het formulier van 5 mei 2012 heeft ingevuld blijkt dat zij hier niet goed raad mee wist en behoefte had aan hulp bij administratieve zaken. Ook blijkt hieruit dat zij telefonisch contact had gehad met het UWV, dat zij verwezen was naar de website van UWV en dat zij bij het gebruik van die website problemen ondervonden had. Van enigerlei bemoeienis of hulp bij de administratieve verantwoording van de werkzaamheden van appellante door de
re-integratie- en casemanager is, afgezien van het doorgeleiden van enkele loonstroken, niet gebleken. Ook overigens is niet gebleken dat UWV heeft ingespeeld op de hulpvraag van appellante, terwijl appellante heeft verklaard dat zij UWV verschillende malen heeft gebeld met het aanbod loonstroken op te sturen en UWV daaraan geen behoefte stelde te hebben. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de lezing van appellante. Gelet op (onder meer) deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan niet worden gesteld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij te veel uitkering ontving. UWV was daarmee niet bevoegd om de WIA-uitkering van appellante met terugwerkende kracht te herzien. Een terugvordering was dus ook niet aan de orde. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.