Rechtspraak
UWV brengt appellant met ingang van 1 mei 2013 in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Naast deze uitkering verricht appellant werkzaamheden via een uitzendbureau. In verband met het vervallen van de werkzaamheden voor het uitzendbureau stelt UWV vast dat voor appellant met ingang van 28 december 2015 naast zijn oude recht een nieuw recht op uitkering is ontstaan. In zijn besluit van 15 april 2016 stelt UWV vast dat het dagloon van dit nieuwe recht € 64,29 is en het maandloon € 1.398,31. Het nieuwe recht komt geheel tot uitbetaling en het oude recht komt alleen tot uitbetaling voor zover het betrekking heeft op het bedrag waarmee het maandloon van het oude recht het maandloon van het nieuwe recht overschrijdt. Na beëindiging van het oude recht bestaat vanaf 8 januari 2016 alleen nog het nieuwe recht, met een dagloon van € 64,29. Appellant meent dat een aangiftetijdvak van vier weken beter aansluit bij de wekelijkse loonbetaling door het uitzendbureau, en een referteperiode van 1 december 2014 tot en met 29 november 2015 beter aansluit bij het loondervingsbeginsel omdat appellant in de maand november 2014 geen inkomsten heeft genoten. UWV heeft volgens appellant het loon van week 44 in 2015 – die valt in de kalendermaand oktober 2015 maar door de werkgever is opgegeven bij de Belastingdienst in november 2015 – ten onrechte niet meegenomen bij de dagloonberekening. Appellant heeft een beroep gedaan op de Beleidsregel Uwv gebruik polisgegevens van 21 juli 2009 (Stcrt. 2009, 11028, Beleidsregel) op grond waarvan UWV kan afwijken van de polisgegevens als de werknemer aantoont dat een gegeven onjuist is. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV heeft het aangiftetijdvak november 2014 alsnog buiten de dagloonberekening gehouden en het dagloon met ingang van 28 december 2015 vastgesteld op € 77,11 (na indexering per 8 januari 2016 € 78,67). Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dit besluit en de aangevallen uitspraak zullen daarom worden vernietigd. Bezien zal worden welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden. Uit de berekening van UWV blijkt dat het in het geval van appellant niet uitmaakt of het loon door de werkgever per vier weken of per maand wordt opgegeven bij de Belastingdienst. Ter zitting heeft appellant gelet hierop de beroepsgrond laten vallen dat UWV had moeten uitgaan van een ander aangiftetijdvak. Alleen in geschil is nog de vraag of UWV het loon over week 44 van 2015 had moeten meenemen bij de dagloonberekening. UWV heeft een juiste toepassing gegeven aan artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit en gaat ervan uit dat appellant het loon heeft genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Deze toepassing is overeenkomstig de bedoeling van de besluitgever. In de nota van toelichting bij artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, zoals dat gold met ingang van 1 juni 2013 (Stb. 2013, 185, p. 26) wordt herhaald wat ook al uit de hiervoor genoemde bepalingen blijkt, namelijk dat het dagloon gebaseerd wordt op het loon dat de werknemer heeft genoten in de aangiftetijdvakken, gelegen in de referteperiode en dat de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. Dit wordt ook nog eens bevestigd door de antwoorden van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 mei 2017 op vragen van een Kamerlid over de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5888. Deze uitspraak gaat over een WW-uitkering die wordt uitbetaald na de referteperiode, maar betrekking heeft op een periode in de referteperiode. De minister heeft geantwoord dat er geen sprake is van een onbedoeld effect, dat er in het Dagloonbesluit bewust voor is gekozen dat UWV gebruik kan maken van het loon of de uitkering die in de polisadministratie is opgenomen en dat het niet wenselijk is om het Dagloonbesluit zo aan te passen dat het volledige inkomen tijdens de referteperiode wordt meegenomen ongeacht het moment van uitbetaling. Gelet op het voorgaande zal de Raad zelf in de zaak voorzien en bepalen dat UWV de WW-uitkering met ingang van 8 januari 2016 berekent naar een dagloon van € 78,67 (maandloon € 1.711,07).