Rechtspraak
Appellant is sinds 1 februari 2002 als agrarisch medewerker in dienst van (een rechtsvoorganger van) werkgeefster. Voor appellant geldt een vast aantal contracturen op jaarbasis. Zijn loon is hierop gebaseerd. Het aantal uren dat appellant werkt, is niet gelijkmatig over het jaar verspreid; afhankelijk van het seizoen en de daaraan verbonden werkzaamheden werkt hij meer of minder. Het loon wordt wel gelijkmatig over het jaar uitbetaald, in die zin dat appellant per periode van vier weken een vast bedrag ontvangt, onafhankelijk van het aantal feitelijk gewerkte uren. In verband met teruglopende werkzaamheden zijn appellant en werkgeefster overeengekomen dat met ingang van 11 augustus 2014 het aantal overeengekomen contracturen wordt teruggebracht van 1950 (gemiddeld 37,5 per week) tot 1560 (gemiddeld 30 per week) op jaarbasis. Appellant en werkgeefster hebben hiertoe op 18 april 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten en op 11 augustus 2014 een nieuwe arbeidsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst is expliciet neergelegd dat appellant voortaan aanspraak heeft op loon over 30 uren per week. Appellant vraagt een WW-uitkering aan, waarbij hij stelt dat hij met ingang van week 33 van 2014 van 37,5 naar 30 uur per week is gegaan en dus gedeeltelijk werkloos is geworden. UWV wijst de aanvraag af, omdat appellant volgens UWV in week 33 niet ten minste vijf arbeidsuren heeft verloren en dus niet werkloos is geworden. Het bezwaar van appellant verklaart UWV gegrond, in zoverre dat UWV vaststelt dat voor appellant in week 34 van 2014 recht is ontstaan op een WW-uitkering. Appellant heeft volgens UWV in die week wel een relevant arbeidsurenverlies geleden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Zij oordeelt dat appellant in week 33 geen recht heeft op een WW-uitkering. Daartoe heeft zij overwogen dat niet in geschil is dat in week 33 het gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) 38 per week bedroeg. Nu appellant in week 33 40 uur heeft gewerkt, heeft hij in die week geen arbeidsurenverlies. Het (gestelde) feit dat appellant over week 33 van 2014 slechts recht heeft op loon over 30 uur, doet daar niets aan af.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voor de vaststelling van arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16, eerste lid, WW is vanaf 1 januari 2013 niet langer het aantal gewerkte uren van belang, maar het aantal verloonde uren of het aantal uren waarover recht bestond op loon. Ongewijzigd geldt nog steeds het systeem van hoofdstuk II van de WW dat het recht op werkloosheidsuitkering per kalenderweek wordt beoordeeld. Per kalenderweek wordt beoordeeld of de betrokken werknemer werkloos is en, zo ja, in welke mate. Met dit systeem verhoudt zich niet dat bij de beoordeling van de omvang van een verlies aan arbeidsuren in een bepaalde kalenderweek rekening wordt gehouden met uren in andere kalenderweken. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of appellant in week 33 van 2014 ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn GAA per week. Partijen zijn het erover eens dat het GAA in de 26 kalenderweken voor 11 augustus 2014 38 bedroeg. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat appellant in het jaar 2014 in totaal 1600,8 uur heeft gewerkt en vanaf week 33 van 2014 over door hem gewerkte uren steeds over 30 uur loon heeft ontvangen. Over week 33 van 2014 heeft hij dus geen inkomen ontvangen over de tien uren die hij in die week meer heeft gewerkt dan 30. Anders dan UWV heeft gesteld had appellant over week 33 ook geen recht op loon over meer dan 30 uur. Dit volgt noch uit zijn arbeidsovereenkomst noch uit artikel 14 van de cao, zoals dat tot en met 2015 gold. Er is geen grond om verloonde uren over andere kalenderweken geheel of gedeeltelijk toe te rekenen aan week 33 van 2014. Het hoger beroep slaagt.