Rechtspraak
Werknemer is in 2005 uitgevallen met burn-outklachten. In november 2009 is opnieuw een uitval gevolgd met dezelfde klachten. Daarna heeft werknemer herniaklachten en lymfeklierkanker gekregen waarvoor hij behandeld is. Re-integratie heeft niet geleid tot een positief resultaat, vanwege de beperkte mogelijkheden van werknemer. Bij besluit stelt UWV vervolgens vast dat voor werknemer met ingang van 24 november 2011 op grond van de Wet WIA recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. UWV merkt werknemer daarbij aan als 100% arbeidsongeschikt, waarbij een meer dan geringe kans op herstel aanwezig wordt geacht, omdat het stagnerend herstel met een reactiverend beleid vlot is te trekken. Naar aanleiding van een verzoek van appellant heeft UWV na medisch onderzoek bij besluit vastgesteld dat de WGA-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet en werknemer geen recht heeft op een IVA-uitkering, omdat er nog behandelmogelijkheden zijn en herstel spontaan kan plaatsvinden. UWV verklaart vervolgens het bezwaar van appellant ongegrond. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellant niet gevolgd in het standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer duurzaam is. De rechtbank overweegt in dat opzicht dat de verzekeringsartsen van UWV inzichtelijk hebben gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid is te verwachten. Dat werknemer zelf geen vertrouwen meer heeft in de behandeling en deze na 2,5 maand heeft gestaakt, kan aan de behandelingsmogelijkheden niet afdoen. Genoegzaam is onderbouwd dat geen sprake is van een situatie waarin werknemer geen verbetermogelijkheden zou hebben. In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt dat werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom recht heeft op een IVA-uitkering. Het enkele feit dat een therapie beschikbaar is, is onvoldoende basis voor het oordeel dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer niet duurzaam is. Bij werknemer is sprake van een langdurig en chronisch ziektebeeld waarvoor hij diverse therapieën heeft ondergaan zonder positief resultaat. De zeer belastende therapie is in redelijkheid niet van werknemer te vergen gelet op de eerdere resultaten van therapieën. De kans van slagen en verbetering van de arbeidsbelasting is zodoende gering te achten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer als duurzaam moet worden aangemerkt, zodat werknemer voldoet aan de voorwaarden voor een IVA-uitkering. Volgens vaste rechtspraak dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Hierbij moet hij, uitgaande van de medische situatie op de datum in geding, een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna, dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een ingezette medische behandeling is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Met juistheid heeft de rechtbank het resultaat van de beoordeling door de verzekeringsartsen onderschreven en geoordeeld dat de situatie van volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer niet als duurzaam kan worden gekwalificeerd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bij werknemer ten tijde hier in geding vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 100% niet kan worden aangemerkt als duurzaam in de zin van artikel 4, tweede en derde lid van de Wet WIA. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.