Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen verwijtbare werkloosheid: niet is komen vast te staan dat werkgever aan werknemer een aanbod zou hebben gedaan om het dienstverband voort te zetten, of dat werknemer op voorhand te kennen zou hebben gegeven haar contract niet te willen verlengen.

Werknemer is met ingang 1 maart 2013 werkzaam voor werkgever (hierna: appellante) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is per 1 november 2013 verlengd tot 1 november 2014. Bij besluit van 19 februari 2015 brengt UWV werknemer met ingang van 3 november 2014 in aanmerking voor een WW-uitkering. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Volgens appellante is werknemer verwijtbaar werkloos geraakt, door een contractverlenging af te slaan en aldus door eigen toedoen geen passende arbeid te behouden. Het bezwaar en beroep tegen voornoemd besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van artikel 24 sub b onder 3 WW dient de werknemer te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Op grond van artikel 24 lid 2 sub b WW jo. artikel 24 lid 7 WW geldt dat van verwijtbare werkloosheid sprake is indien de dienstbetrekking is beƫindigd of niet is voortgezet door of op verzoek van de werknemer, zonder dat aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. De Raad is met UWV en de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellante aan werknemer een aanbod heeft gedaan om het dienstverband voort te zetten. Evenmin is komen vast te staan dat werknemer op voorhand aan appellante te kennen heeft gegeven dat zij haar contract niet wenste te verlengen.