Rechtspraak
Appellant vraagt op 8 mei 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan. In het betreffende aanvraagformulier vermeldt appellant dat de vermoedelijke eerste werkloosheidsdag 3 juli 2012 is. UWV wijst de aanvraag af omdat deze niet binnen 26 weken na de eerste werkloosheidsdag is ingediend. Appellant betoogt dat UWV ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om af te wijken van de hoofdregel van artikel 35 WW in geval sprake is van een bijzonder geval. Dit betoogt slaagt niet. De rechtbank meent wel dat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel door UWV onvoldoende was onderzocht. Om die reden verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het besluit van 8 september 2014 en draagt UWV op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Partijen berusten in deze uitspraak. Op 29 mei 2015 verklaart UWV het bezwaar opnieuw ongegrond. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op omdat [L] niet gekwalificeerd kan worden als een identiek geval. Voorts stelt UWV dat aan [L] ten onrechte een WW-uitkering is toegekend en dat op deze misslag niet behoeft te worden voortgeborduurd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Met de uitspraak van de rechtbank van 19 mei 2015 staat vast dat sprake is van een te late aanvraag van de WW-uitkering en dat geen sprake is van een bijzonder geval. Ter beoordeling is daarom nog slechts of UWV terecht heeft aangenomen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. [L] verkeerde in dezelfde positie als appellant. Ook hij verschilde met de werkgever van mening over zijn status als werknemer en ook hij heeft, net als appellant, eerst nadat hij een beroep tegen een beschikking over het verzekerd zijn had ingetrokken, een aanvraag om een WW-uitkering gedaan. Anders dan appellant stelt, blijkt uit de stukken niet dat aan de toekenning van de WW-uitkering aan [L] een beleid, een werkinstructie of een vaste gedragslijn ten grondslag lag. Wel blijkt dat binnen UWV intern overleg is gevoerd over de kwalificatie als bijzonder geval. Zoals UWV met juistheid heeft gesteld is vervolgens ten onrechte geconcludeerd dat daar in het geval van [L] inderdaad sprake van was. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3608) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat een bestuursorgaan is gehouden om in het verleden gemaakte fouten te herhalen. De rechtbank heeft met juistheid en in overeenstemming met die rechtspraak geoordeeld. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.