Rechtspraak
Bij besluit van 11 december 2014 (besluit 1) brengt UWV appellant per 6 oktober 2014 in aanmerking voor een WW-uitkering, met een gemiddeld aantal arbeidsuren van 33 (oud WW-recht). De maximale duur van deze uitkering is 5 december 2017 en het dagloon is vastgesteld op 120,64 euro. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Vervolgens brengt UWV appellant bij besluit van 26 oktober 2015 (besluit 2) in aanmerking voor een WW-uitkering met een gemiddeld aantal arbeidsuren van 35 uur (nieuw WW-recht). De maximale duur van deze uitkering is 29 november 2018 en het dagloon is vastgesteld op 83,66 euro. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Ten slotte stelt UWV bij besluit van 4 december 2015 (besluit 3) vast dat appellant per 30 september 2015 twee WW-uitkeringen heeft. Daarbij besluit UWV dat het oude WW-recht wordt voortgezet tot en met 13 februari 2018 omdat het dagloon van het oude WW-recht hoger is dan het dagloon van het nieuwe WW-recht. Het dagloon van het oude WW-recht is geïndexeerd en vastgesteld op 136,40 euro. Het oude WW-recht wordt niet meer volledig betaald, omdat verrekening plaatsvindt met het nieuwe WW-recht. UWV verklaart het tegen besluit 2 gemaakte bezwaar gegrond (bestreden besluit). Hierbij wordt besluit 3 in de plaats gesteld van besluit 2. Appellant gaat hiertegen in beroep. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Het geschil heeft volgens haar enkel betrekking op de einddatum van het oude WW-recht. Die einddatum is in rechte vastgesteld op 13 februari 2018. Appellant kan hier niet tegen opkomen, omdat deze einddatum voortvloeit uit een onherroepelijk geworden besluit. Dat appellant vanaf 13 februari 2018 een lagere WW-uitkering ontvangt, houdt geen verband met de dagloonregels per 1 juli 2015, maar uitsluitend met het feit dat het oude WW-recht op 13 februari 2018 eindigt en het nieuwe WW-recht een lager dagloon heeft dan het oude WW-recht. Appellant gaat vervolgens in hoger beroep en stelt zich daarbij op het standpunt dat het dagloon van het nieuwe WW-recht in strijd is met het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In geschil is de hoogte van het dagloon van het nieuwe WW-recht. Appellant voert in dat verband aan dat die hoogte per 13 februari 2018 in strijd is met het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW omdat het dagloon vanaf dat moment te laag is vastgesteld. Bij het bestreden besluit heeft UWV het oude WW-recht laten herleven met een verlenging tot en met 13 februari 2018. Tijdens de (verlengde) duur van deze uitkering blijft de hoogte van het dagloon gelijk aan het (hogere) dagloon van het oude WW-recht. Het oude WW-recht heeft een maximale uitkeringsduur tot en met 13 februari 2018. Uit de jurisprudentie van de Raad blijkt dat bij het doorlopen van een oud recht de aanspraak op een WW-uitkering na afloop van het oude WW-recht een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft, zodat hierin geen belang kan worden gezien voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De aanspraak van appellant op een WW-uitkering na afloop van het oude recht – in dit geval op 13 februari 2018 – dient het UWV dan opnieuw te beoordeelden. Een voldoende actueel belang bij de beoordeling van het nieuwe WW-recht ontbreekt daarom thans, waardoor de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart.