Naar boven ↑

Rechtspraak

De gegevensuitwisseling tussen DJI en UWV ontslaat appellant niet van zijn persoonlijke informatieplicht.

Appellant ontvangt sinds 10 maart 2009 een WIA-uitkering. Op 12 november 2014 wordt appellant gedetineerd. Bij besluit van 9 december 2014 beëindigt UWV als gevolg van de detentie de WIA-uitkering (besluit 1). Vervolgens legt UWV appellant bij besluit van 27 januari 2015 een waarschuwing op, omdat appellant niet heeft doorgegeven dat hij vanaf 12 november 2014 gedetineerd was en daarmee zijn inlichtingenplicht in het kader van de Wet WIA heeft geschonden (besluit 2). UWV heeft geen bestuurlijke boete opgelegd, omdat het niet melden van de detentieperiode geen gevolgen heeft voor appellants uitkering. Appellant maakt vervolgens bezwaar tegen besluit 2. Bij beslissing op bezwaar van 16 juli 2015 (bestreden besluit) verklaart UWV dit bezwaar ongegrond. Hierop gaat appellant in beroep. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Volgens de rechtbank ligt op appellant een persoonlijke verplichting om de detentie aan UWV te melden. Het feit dat UWV via de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) weet had van de detentie doet daar niet aan af. Daarbij wordt appellant niet in zijn verweer gevolgd dat hij feitelijk in de onmogelijkheid verkeerde om de detentie tijdig te melden. Appellant stelt vervolgens hoger beroep in. Hij stelt dat hij zijn detentie tijdig heeft doorgegeven dan wel heeft laten doorgeven, dat UWV reeds van de detentie op de hoogte was via een hoorzitting in een andere procedure in het kader van de vaststelling van appellants WIA-uitkering en dat hem dientengevolge geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het schenden van de op hem rustende informatieplicht.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van de Wet WIA verstrekt de verzekerde die recht heeft op een uitkering op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering en de betaling van de uitkering. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administratie. Als de verzekerde de inlichtingenplicht schendt, kan UWV een bestuurlijke boete opleggen of volstaan met een waarschuwing. Ingevolge de Wet SUWI verstrekt de Minister van Justitie en Veiligheid ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen onverwijld de gegevens, opgaven en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het recht op uitkering aan UWV. Niet betwist is dat detentie een voor het recht op een WIA-uitkering relevant gegeven is dat bij UWV moet worden gemeld. De Raad overweegt dat de gegevensuitwisseling tussen DJI en UWV niet is aangewezen als een administratie in de zin van de Wet WIA. Dit brengt mee dat appellant ten aanzien van de detentie niet ontslagen is van zijn inlichtingenplicht. Bovendien wordt appellant daarvan ook niet ontslagen, indien DJI melding heeft gemaakt van de detentie bij UWV. De melding door DJI functioneert namelijk slechts als achtervangsysteem. Appellant heeft derhalve de inlichtingenplicht geschonden. De Raad overweegt vervolgens dat de detentie er niet toe heeft geleid dat appellant niet zo spoedig mogelijk melding had kunnen maken van de detentie. De Raad verwerpt ten slotte appellants verweer dat UWV tijdens een hoorzitting in een andere procedure bekend was geworden met de detentie. Appellant heeft derhalve verwijtbaar de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Omdat geen sprake is van een door die schending veroorzaakte benadelingshandeling, heeft UWV terecht afgezien van een bestuurlijke boete en kon worden volstaan met een waarschuwing. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.