Rechtspraak
Appellant treedt op 1 oktober 1996 in dienst getreden van werkgever. Op 6 juni 2011 wordt appellant op staande voet ontslagen en op 7 juni 2011 vraagt appellant een WW-uitkering aan. Op 30 juni 2011 kent UWV aan appellant een voorschot op de WW-uitkering toe. In de periode hierna vinden diverse procedures plaats rondom het ontslag op staande voet. Appellant heeft UWV steeds op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen in deze procedures. In juli 2014 brengt appellant nog een aantal andere stukken bij UWV in en vindt telefonisch overleg plaats. Een en ander leidt tot een drietal besluiten van 25 juli 2014. Bij het eerste besluit is de WW-uitkering per 6 juni 2011 blijvend geheel geweigerd in verband met verwijtbare werkloosheid. Bij het tweede besluit is, in verband met een korte werkhervatting door appellant in oktober en november van 2011, de WW-uitkering per 25 november 2011 voortgezet en is ook de maatregel van de blijvend gehele weigering voortgezet. Bij het derde besluit is hetgeen in dat verband onverschuldigd aan WW-uitkering is betaald ten bedrage van € 103.434,42 bruto van appellant teruggevorderd. Het bezwaar en beroep tegen deze besluiten zijn ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Artikel 24 lid 1 sub a WW legt de werknemer de verplichting op te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24 lid 2 sub a WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 BW en de werknemer in dat verband een verwijt kan worden gemaakt. Indien de werknemer de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, wordt op grond van artikel 27 lid 1 WW de uitkering blijvend geheel geweigerd, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. De beoordeling van de verwijtbaarheid van de werkloosheid moet berusten op een zorgvuldig onderzoek naar alle feiten en omstandigheden. Dit betreft een eigen verantwoordelijkheid van UWV. UWV kan niet volstaan met te verwijzen naar hetgeen een rechterlijk college heeft vastgesteld en overwogen in een bepaalde situatie indien die beoordeling gemotiveerd wordt betwist. UWV is gehouden een eigen oordeel te vormen over de vraag of een aanvrager van een WW-uitkering verwijtbaar werkloos is geworden. Daarnaast moet UWV na vergaring van de nodige kennis over de relevante feiten zijn beslissing deugdelijk motiveren. Gelet hierop had UWV dan ook een zelfstandig onderzoek moeten verrichten naar de feiten die aan het ontslag van appellant ten grondslag hebben gelegen. Afgaande op de gedingstukken heeft UWV slechts beschikt over de ontbindingsbeschikking, het vonnis van de kantonrechter en het arrest van het hof. De achterliggende stukken, waaronder de diverse interne gedragslijnen van de werkgever, zijn eerst in hoger beroep ingebracht. De grond van appellant dat het onderzoek door zowel UWV als de rechtbank onzorgvuldig is geweest, slaagt. Hoewel naar het oordeel van de Raad appellant een ernstig verwijt valt te maken, brengt dit ernstige verwijt echter niet mee dat hiermee een ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is. Het bestreden besluit kan dan ook geen stand houden, en UWV zal opnieuw op de bezwaren van appellant dienen te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.