Rechtspraak
Appellante verrichtte huishoudelijke werkzaamheden voor diverse cliënten. Op 6 mei 2015 vraagt zij een WW-uitkering aan, waarbij zij vermeldt dat het dienstverband bij haar laatste werkgever is aangevangen op 2 april 2010, dat zij ontslag heeft genomen en dat de eerste werkloosheidsdag 1 augustus 2014 is. Bij besluit van 27 mei 2015 weigert UWV appellante in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering, omdat zij niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst en daarom niet verzekerd is geweest voor de WW. Het bezwaar en beroep tegen voornoemd besluit zijn beide ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voor de beoordeling van het recht op een WW-uitkering is van belang of appellante haar werkzaamheden heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 lid 1 WW. Nu appellante zelf een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering, ligt het in beginsel op haar weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij recht op uitkering heeft. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon, zodat sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen appellante en haar (vermeend) werkgever wordt onderschreven. Uit de door appellante overgelegde arbeidsovereenkomsten, die zijn gesloten door de cliënt als werkgever en appellante als zorgverlener, kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat appellante en de gestelde werkgever tot elkaar in een gezagsverhouding stonden. Uit deze overeenkomsten blijkt dat de vermeend werkgever optrad als bemiddelaar tussen cliënten en zorgverleners, en in opdracht van de cliënten het loon uitbetaalde aan de zorgverleners. In de bij de overeenkomst behorende voorwaarden en richtlijnen is uitdrukkelijk vermeld dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan tussen de cliënt/opdrachtgever en de zorgverlener, en dat de vermeend werkgever op geen enkele wijze zal treden in de bij deze overeenkomst aan beide partijen toebedeelde bevoegdheden, zoals de invulling en regeling van de werkzaamheden, de beoordeling van de door de zorgverlener verrichte werkzaamheden en de behandeling van wederzijdse klachten. Het door UWV uitgevoerde onderzoek bevestigt dat in de praktijk geen sprake was van andere, verdergaande bemoeienis met de zorgverleners op grond waarvan een gezagsverhouding zou moeten worden aangenomen. Het hoger beroep faalt.