Naar boven ↑

Rechtspraak

Afwijzing overname betalingsverplichtingen: geen geruisloze overgang in privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Met ingang van 25 maart 2014 is een stichting enig aandeelhouder en bestuurder van een bv. Appellant is sinds 28 maart 2014 bestuurder van voornoemde stichting. Op die datum sluiten appellant en de bv een overeenkomst voor onbepaalde tijd waarin appellant als werknemer is aangeduid, en de bv (vertegenwoordigd door de stichting, op haar beurt vertegenwoordigd door appellant in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Stichting) als werkgever is aangeduid. De overeenkomst bepaalt dat appellant als algemeen manager belast is met de dagelijkse leiding van de bv. Op 1 juli 2014 treedt appellant uit als bestuurder van de stichting. Op 27 januari 2015 wordt de bv in staat van faillissement verklaard. Appellant vraagt UWV op 9 februari 2015 om met toepassing van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van de bv over te nemen. In het onderzoeksrapport van 12 maart 2015 wordt geconcludeerd dat appellant eigenaar was van de bv, zodat geen sprake was van een gezagsverhouding en daarmee evenmin van een arbeidsovereenkomst. Bij besluit van 27 februari 2015 wijst UWV de aanvraag van appellant om overname van de betalingsverplichtingen van de bv af. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Aan de orde is de vraag of appellant werknemer was in de zin van de WW. Op grond van artikel 3 WW is hiertoe vereist dat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan in de zin van artikel 7:610 BW. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Niet in geschil is dat appellant gehouden was arbeid te verrichten voor de bv en dat hij daarvoor loon ontving. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant in een gezagsverhouding stond ten opzichte van de bv. Daarbij rust de bewijslast op appellant, als aanvrager van de uitkering. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van formeel gezag. Beoordeeld dient te worden of dan wel sprake was van materieel gezag. Naar het oordeel van de Raad was hier vóór 1 juli 2014 in elk geval geen sprake van, nu appellant tot 1 juli 2014 feitelijk zelf het (materieel) gezag uitoefende. Vervolgens dient beoordeeld te worden of per 1 juli 2014 wel sprake was van een arbeidsovereenkomst. De rechtszekerheid verzet zich tegen een geruisloze vervanging van een overeenkomst in het kader waarvan arbeid wordt verricht, niet zijnde een arbeidsovereenkomst, in een arbeidsovereenkomst waarop andere rechtsregels van toepassing zijn. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of per 1 juli 2014 een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de Raad is dit niet aannemelijk geworden. Per 1 juli 2014 was daarom evenmin sprake van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Het hoger beroep faalt.