Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV geeft juiste toepassing aan het Dagloonbesluit 2013 door geen rekening te houden met na het refertejaar betaalde en genoten bonus.

Appellante is sinds 1 februari 2009 werkzaam op grond van een arbeidsovereenkomst. Op 17 februari 2014 valt appellante uit door ziekte. De arbeidsovereenkomst tussen appellante en werkgever wordt vervolgens per 1 oktober 2014 met wederzijds goedvinden beëindigd wegens bedrijfseconomische redenen. Bij besluit van 6 november 2014 weigert UWV om appellante in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Na een uitspraak van de rechtbank heeft UWV bij nieuwe beslissing op bezwaar van 2 juni 2015 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 november 2014 alsnog gegrond verklaard. UWV brengt appellante met ingang van 1 oktober 2014 alsnog in aanmerking voor een ZW-uitkering, berekend naar een dagloon van € 164,83. Appellante stelt beroep in tegen het bestreden besluit, omdat het dagloon volgens haar onjuist is berekend, nu een na afloop van het refertejaar uitbetaalde bonus niet is meegenomen in het dagloon. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat het refertejaar voor de dagloonberekening loopt van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013. In geschil is de vraag of UWV op goede gronden heeft geweigerd om de na het einde van het refertejaar (in mei 2014) door de werkgever (na)betaalde bonus van € 8.185,27 bruto, die is opgebouwd over de periode van mei 2013 tot en met april 2014, bij de dagloonberekening te betrekken. Naar het oordeel van de Raad heeft UWV een juiste toepassing gegeven aan artikel 4 lid 1 van het Dagloonbesluit 2013 door geen rekening te houden met de in mei 2014 (derhalve: na het refertejaar) uitbetaalde bonus. Uit de nota van toelichting bij artikel 4 van Dagloonbesluit 2013 volgt dat het dagloon gebaseerd wordt op het loon dat de werknemer heeft genoten in de aangiftetijdvakken gelegen in het refertejaar en dat de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak, zodat de wijze van toepassing van UWV overeenkomstig de bedoeling van de besluitgever is. Ook het beroep op artikel 4 lid 2 van Dagloonbesluit 2013 kan niet slagen, nu geen sprake is van loon dat in het refertejaar vorderbaar, maar niet inbaar was. De arbeidsovereenkomst van appellante voorzag niet in een tussentijdse uitbetaling van de bonus gedurende de periode waarin de bonus nog werd opgebouwd. Gelet hierop was de bonus derhalve niet vorderbaar tijdens het refertejaar. Ook de door appellante aangevoerde grond dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van werknemers (zoals haar ex-collega’s) die niet ziek zijn geworden en voor wie een ander refertejaar geldt – waardoor de in mei 2014 genoten bonus wel wordt meegenomen bij de dagloonberekening – slaagt niet. Appellante is op 17 februari 2014 ziek geworden en op dat moment is haar verzekerde risico voor de ZW ingetreden. Voor haar ex-collega’s is het verzekerde risico ingetreden met ingang van 1 oktober 2017, het moment dat zij werkloos raakten op grond van de Werkloosheidswet. Er is dan ook geen sprake van gelijke gevallen. Het hoger beroep faalt.