Rechtspraak
Appellante is van 1 december 2013 tot 30 juni 2014 voor werkgever werkzaam als kapster. Op 7 juli 2014 vraagt appellante een Wajong-uitkering aan, welke aan haar bij besluit van 5 januari 2015 wordt toegekend, waarbij wordt medegedeeld dat de uitkering is bedoeld als aanvulling op inkomen dat appellante met werk verdient. Op 11 september 2015 vraagt appellante een WW-uitkering aan met terugwerkende kracht voor de periode 30 juni 2014 tot 9 december 2014. Deze WW-uitkering wordt bij besluit van 23 september 2015 geweigerd, omdat appellante de WW-uitkering niet binnen 26 weken na de periode van werkloosheid heeft aangevraagd. UWV heeft geen bijzonder geval aanwezig geacht om hiervan af te wijken. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat de eerste werkloosheidsdag van appellante 30 juni 2014 was, en dat sinds die datum meer dan 26 weken waren verstreken toen zij op 11 september 2015 WW aanvroeg. Derhalve is uitsluitend in geschil of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 62 lid 2 WW. Daarbij dient de rechter volledig te toetsen of in een concreet geval sprake is van een bijzonder geval, waarbij het begrip ‘bijzonder geval’ restrictief moet worden uitgelegd. Zowel de rechtbank als de Raad is van oordeel dat uit de door appellante aangevoerde omstandigheden niet volgt dat hiervan sprake is. Zo is niet gebleken dat het voor appellante niet mogelijk was om tijdig een aanvraag voor een WW-uitkering in te dienen. Evenmin is gebleken dat appellante zelf of via een gemachtigde daar om medische redenen niet toe in staat was. Daarbij wordt onder meer van belang geacht dat appellante eerder wel in staat is geweest om (tijdig) een Wajong-uitkering aan te vragen. Het betoog van appellante dat het besluit gezien haar omstandigheden en met name haar financiële situatie onevenredig zwaar voor haar uitpakt, en dat daarom moet worden afgeweken van de termijn van 26 weken, treft geen doel. Anders dan appellante ter zitting heeft betoogd geeft de wet geen ruimte voor een belangenafweging, zoals appellante die voorstaat. Het hoger beroep faalt.