Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen recht op WW-uitkering: geen sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Appellant is voorzitter van een in 2006 opgerichte stichting en appellante is penningmeester van deze stichting. De zoon van appellanten is secretaris. In 2014 wordt de stichting failliet verklaard. In 2014 wordt een bv opgericht, waarvan de zoon van appellanten enig aandeelhouder en bestuurder is. In april 2014 wordt deze bv failliet verklaard. Op 11 april 2014 wordt B.V. 2 opgericht, waarvan de schoondochter van appellanten enig aandeelhoudster en bestuurder is. Op 1 juni 2014 tekenen appellanten en B.V. 2 een overeenkomst voor bepaalde tijd waarin appellanten als werknemers worden aangeduid. Op 29 december 2014 wordt B.V. 2 overgedragen aan de zoon van appellanten, zodat de zoon sinds dat moment enig aandeelhouder en bestuurder van B.V. 2 is. Op 31 december 2014 tekenen appellanten en B.V. 2 een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd, waarin – wederom – appellanten als werknemers worden aangeduid. Appellanten vragen naar aanleiding van het faillissement van B.V. 2 een faillissementsuitkering en een WW-uitkering aan. De aangevraagde uitkeringen worden afgewezen, vanwege het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het bezwaar en beroep tegen deze besluiten zijn ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Nu appellanten aanvragen hebben ingediend om in aanmerking te komen voor uitkeringen op grond van de WW, ligt het in beginsel op hun weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij recht op deze uitkeringen hebben. Hoewel de gesloten overeenkomsten doen vermoeden dat partijen hebben beoogd een arbeidsovereenkomst aan te gaan, is van het bestaan van een gezagsverhouding tussen partijen echter niet gebleken. Niet aangetoond is dat er een bevoegdheid bestond tot het geven van opdrachten en instructies en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk van appellanten. De stelling van appellanten dat achteraf premieafdracht heeft plaatsgevonden, hetgeen volgens appellanten een aanwijzing is voor werknemerschap, wordt niet gevolgd. Het antwoord op de vraag of al dan niet premies werknemersverzekeringen zijn betaald voor een werknemer is ingevolge vaste rechtspraak niet bepalend voor werknemerschap in de zin van de werknemersverzekeringen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het hoger beroep faalt.