Rechtspraak
Appellante komt in 2013 in contact met de directeur van een bv, die appellante vraagt om te helpen bij het opzetten van een stichting voor kansarme kinderen in Nederland door het schrijven van een plan. Appellante voldoet aan dit verzoek. In de periode van juli tot en met september 2014 factureert appellante vanuit haar eenmanszaak een bedrag van € 5.250 exclusief 21% btw per maand aan voornoemde bv. Partijen tekenen omstreeks 16 oktober 2014 een overeenkomst, genaamd ‘arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’ op basis waarvan appellante per 1 juli 2014 in dienst treedt bij de bv tegen een salaris van € 5.250 bruto per maand. Daarnaast ontvangt appellante een vakantietoeslag van 8% op haar maandelijkse salaris en heeft zij recht op 15 vakantiedagen per jaar. In geval van ziekte heeft appellante aanspraak op (gedeeltelijke) doorbetaling van haar loon. In april 2015 wordt de bv in staat van faillissement verklaard, waarop de curator de arbeidsovereenkomst opzegt. In mei 2015 dient appellante een aanvraag voor een faillissementsuitkering in. UWV weigert appellante hiervoor in aanmerking te brengen, nu volgens UWV geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of een rechtsverhouding voldoet aan de criteria van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Omdat appellante een aanvraag heeft ingediend voor een faillissementsuitkering ligt het in beginsel op haar weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij recht heeft op deze uitkering. De discussie in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of sprake is geweest van een gezagsverhouding. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Hiertoe is onder meer van belang dat appellante de eerste drie maanden vanuit haar eenmanszaak aan de bv heeft gefactureerd, terwijl uit de stukken is niet gebleken dat deze facturering plaatsvond in afwachting van het ondertekenen van een arbeidsovereenkomst. Verder is niet gebleken dat appellante instructies kreeg of dat de bv anderszins controle kon uitoefenen op het werk van appellante. Dat de kantonrechter de loonvordering van appellante in een civiele procedure heeft toegewezen maakt het voorgaande niet anders. Het hoger beroep faalt.