Naar boven ↑

Rechtspraak

Intrekking en terugvordering WW-uitkering en ZW-uitkering. Gefingeerd dienstverband.

UWV brengt appellant met ingang van 3 januari 2011 in aanmerking voor een WW‑uitkering. Na een ziekmelding op 21 februari 2011 betaalt UWV de WW-uitkering gedurende dertien weken door en brengt appellant met ingang van 23 mei 2011 in aanmerking voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), die uiteindelijk tot en met 17 februari 2013 wordt uitbetaald. UWV onderzoekt in het kader van een onderzoek naar vermoedelijk gefingeerde dienstverbanden binnen BV de rechtmatigheid van de verstrekte WW- en ZW-uitkeringen en de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsplicht van appellant. Op basis van het ingestelde onderzoek concludeert UWV dat appellant niet bij BV heeft gewerkt en daarom niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Bij besluit van 26 januari 2015 (besluit 1) trekt UWV de ZW-uitkering van appellant met ingang van 23 mei 2011 in.

Bij besluit van 28 januari 2015 (besluit 2) wordt ook de WW-uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 3 januari 2011. De betaalde uitkeringen worden teruggevorderd. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. Appellant herhaalt in hoger beroep zijn standpunt dat er wel sprake is geweest van een dienstverband tussen hem en BV. Dat hij nooit als werknemer is aangemeld en er voor hem geen premies zijn afgedragen is niet aan hem te wijten. Evenmin valt appellant aan te rekenen dat er tot op heden niemand is die kan bevestigen dat hij voor BV heeft gewerkt. Appellant herhaalt dat hij de verdiensten uit zijn dienstverband heeft vermeld in zijn aangifte IB over het jaar 2010. De inspecteur van de Belastingdienst heeft geen zelfstandig onderzoek gedaan, maar is afgegaan op van UWV verkregen informatie. UWV bepleit bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad oordeelt als volgt. Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat UWV feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er van 1 juli 2010 tot 1 januari 2011 geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellant en BV. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat UWV op grond van de gegevens uit het ingestelde onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellant en BV. De overwegingen en conclusies van de rechtbank worden geheel onderschreven.

De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar oordeel dat appellant de onjuistheid van het standpunt van UWV niet met op objectieve en verifieerbare gegevens berustend tegenbewijs aannemelijk heeft gemaakt. Appellant heeft er opnieuw op gewezen dat hij de vermeende inkomsten uit zijn dienstverband bij BV in zijn aangifte IB over 2010 heeft vermeld. Hiermee maakt appellant de onjuistheid van het standpunt van UWV niet aannemelijk. De Belastingdienst heeft zich op basis van het door UWV verrichte onderzoek op het standpunt gesteld dat zowel het aangegeven loon als de met de verschuldigde inkomstenbelasting als voorheffing verrekende loonheffing ten onrechte in het aangiftebiljet over 2010 zijn opgevoerd en heeft ter zake een correctie en vergrijpboete aangekondigd. Appellant heeft verder weliswaar salarisspecificaties overgelegd over de periode juli tot en met december 2010, maar heeft geen enkel bewijs verstrekt van de betalingen daarvan, terwijl volgens de salarisspecificaties betalingen zijn gedaan op een rekeningnummer. Ook van de – naar zijn zeggen – contante uitbetaling is geen bewijs geleverd. Dat door het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de aangifte van UWV tot op heden kennelijk nog niet is beslist omtrent een eventuele strafrechtelijke vervolging van appellant, biedt geen aanknopingspunten om het standpunt van UWV onjuist te achten. Het hoger beroep slaagt niet.