Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer verliest hoedanigheid als werknemer door het verrichten van werkzaamheden in het economisch verkeer. Het is aanvaardbaar dat UWV een schatting maakt van de omvang van de werkzaamheden.

Appellant wordt met ingang van 30 december 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 27 uur per week. In aanvulling op deze WW‑uitkering ontvangt appellant een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Naar aanleiding van een melding verricht UWV een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WW‑uitkering en toeslag. In het onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat appellant vanaf 7 januari 2014 als zelfstandig ondernemer is gaan werken en inkomsten heeft genoten uit de verkoop van een gebruikt product aan BV X. Bij besluit van 28 mei 2015 herziet UWV de WW‑uitkering en de toeslag van appellant met ingang van 7 januari 2014 en beëindigt deze met ingang van 3 februari 2014. Over de periode van 7 januari 2014 tot en met 14 april 2015 vordert UWV een bedrag van € 16.343,09 aan onverschuldigd betaalde WW‑uitkering en toeslag van appellant terug. Ook legt UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. In hoger beroep stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in de periode in geding werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht. Indien en voor zover wel sprake is van zulke werkzaamheden, stelt appellant zich op het standpunt dat UWV de omvang van de werkzaamheden als zelfstandige onjuist heeft geschat.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Uit het uittrekstel uit de Kamer van Koophandel blijkt dat appellant op 25 februari 2015 is geregistreerd met zijn eenmanszaak onder de handelsnaam [A], met als startdatum 1 maart 2015 en dat hij een eigen website heeft onder de domeinnaam www.[A].nl. In een gesprek met de inspecteur van UWV op 17 maart 2015 heeft hij verklaard dat hij zijn werkcoach heeft verteld dat hij eens in de twee weken [A] ophaalt bij acht cafetaria’s, daarvoor een auto heeft gekocht en dit [A] verkoopt aan [naam B.V.]. Uit bonnen van [naam B.V.] blijkt dat appellant werd betaald voor dit [A]. Appellant heeft dit ook niet ontkend. Deze werkzaamheden zijn aan te merken als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3508). Dat met die werkzaamheden slechts marginale inkomsten zouden zijn verworven, maakt dat niet anders. Appellant heeft zijn hoedanigheid als werknemer hiermee verloren.

Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de aangehaalde uitspraak) dat in gevallen waarin een betrokkene heeft nagelaten opgave te doen van zijn werkzaamheden en van de gewerkte uren geen registratie heeft bijgehouden, aanvaardbaar is dat UWV een schatting maakt van de omvang van de werkzaamheden. Dat die schatting ten nadele van betrokkene kan uitvallen komt voor rekening en risico van betrokkene, mits door UWV voldoende en zorgvuldig onderzoek is verricht om tot een vaststelling te komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

Het hoger beroep slaagt voor zover het de boete betreft. Zoals ter zitting is vastgesteld heeft appellant wel op diverse momenten en zonder terughoudendheid mededelingen gedaan aan zijn werkcoach van zijn voornemens met betrekking tot zijn ondernemerschap. Op 7 oktober 2014 heeft hij in een gesprek met die werkcoach volledige openheid van zaken gegeven over zijn bedrijf. Door UWV is ter zitting erkend dat appellant op dat moment als zelfmelder volledig heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht. Dat betekent dat voor de hoogte van de boete het benadelingsbedrag tot aan de datum bepalend is. Gelet op die omstandigheden is er reden om uit te gaan van een matiging tot 12,5% van het benadelingsbedrag.