Naar boven ↑

Rechtspraak

De arbeidsovereenkomst van appellante is van rechtswege overgegaan op [BV 2], zodat van nadien wegens betalingsonmacht over te nemen betalingsverplichtingen van [BV 1] geen sprake was.

Appellante treedt op 1 juni 2001 in dienst als administratrice op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [BV 1]. Op 21 juli 2015 is het faillissement van [BV 1] uitgesproken. De curator zegt de arbeidsovereenkomst van appellante, voor zover nodig, op 27 juli 2015 op. Op 28 juli 2015 verzoekt appellante UWV om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet de betalingsverplichtingen van [BV 1] wegens betalingsonmacht over te nemen. Appellante vermeldt daarbij dat haar loon tot en met de maand juni (de Raad begrijpt: 2015) volledig is betaald. Bij besluit van 18 september 2015 wijst UWV dit verzoek af. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat [BV 1] op 1 juni 2015 is overgenomen door [BV 2] en dat [BV 2] het loon moet betalen dat appellante nog tegoed heeft van [BV 1]. Bij de aangevallen uitspraak verklaart de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat de arbeidsovereenkomst van appellante vóór het faillissement van [BV 1] van rechtswege is overgegaan op [BV 2]. De rechtbank overweegt daartoe kortgezegd als volgt.

De rechtbank overweegt dat in de koopovereenkomst is bepaald dat de koper de onderneming voor eigen risico gaat drijven en dat de rechten en plichten uit de lopende contracten overgaan op de koper. Verder is bepaald dat het de verkoper is verboden om activiteiten te ondernemen met betrekking tot relaties van de onderneming, waaronder in ieder geval de nieuwe dan wel bestaande klanten van de onderneming worden verstaan. Vanaf de dag van verkoop zal de verkoper geen activiteiten meer uitvoeren binnen [BV 1], met uitzondering van de activiteiten die noodzakelijk zijn om deze BV te liquideren. Gelet op de Spijkers-criteria (…) betekent de enkele omstandigheid dat in de koopovereenkomst het arbeidscontract van eiseres expliciet is uitgesloten niet dat van een overgang in de zin van artikel 7:662 BW geen sprake kan zijn. De rechtbank overweegt verder dat de ICT-branche als een arbeidsintensieve branche kan worden gezien en dat er binnen [BV 1], naast het personeel, geen andere productiefactoren aanwezig waren. Vaststaat dat de overige zeven werknemers van [BV 1], die allemaal de functie van ICT’er hadden, zijn overgenomen door [BV 2]. De rechtbank acht aannemelijk dat de ICT’ers na de overname dezelfde of soortgelijke activiteiten zijn blijven verrichten. De rechtbank overweegt voorts dat ervan kan worden uitgegaan dat de administratieve functie van eiseres (uitsluitend) diende ter ondersteuning van de ICT’ers. Niet is gebleken dat [BV 1] in afdelingen was georganiseerd, waarbij sprake was van een afzonderlijk bedrijfsonderdeel ‘administratie’ dat het organisatorisch kader vormde waarbinnen de arbeidsverhouding van eiseres werd geconcretiseerd, welk bedrijfsonderdeel niet mee is overgedragen. Voorts acht de rechtbank van belang dat naast de overname van nagenoeg het hele personeelsbestand, ook het gehele klantenbestand en (vrijwel) alle activa aan [BV 2] zijn verkocht. Ten slotte overweegt de rechtbank dat ook de berichtgeving van [naam] op de website [website] erop wijst dat sprake is van een overgang van [BV 1].

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het namens appellante in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank dat er sprake is geweest van overgang van onderneming en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. De arbeidsovereenkomst van appellante is dan ook op 1 juni 2015 van rechtswege overgegaan op [BV 2], zodat van nadien wegens betalingsonmacht over te nemen betalingsverplichtingen van [BV 1] geen sprake was. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad vloeit, zoals appellante terecht heeft gesteld, voort dat een werknemer in geval van overgang van onderneming niet gehouden is bij de verkrijgende werkgever in dienst te treden. Uit de stukken volgt echter niet dat appellante zich op enigerlei wijze heeft verzet tegen het voortbestaan van haar arbeidsovereenkomst. Ook al zou appellante worden gevolgd in haar standpunt dat zij niet mee is overgegaan naar [BV 2], dan betekent dit niet dat zij nog in dienst is gebleven bij [BV 1]. Uit het door appellante genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 1988 blijkt immers dat de arbeidsovereenkomst met [BV 1] van rechtswege is geëindigd op het tijdstip van de overgang van de onderneming, te weten op 1 juni 2015. Het hoger beroep slaagt niet.