Rechtspraak
Betrokkene treedt per 20 januari 1987 bij de Stichting voor onderwijs, de rechtsvoorganger van appellante, in dienst. Betrokkene is werkzaam als vakdocent bij de [naam school], onderdeel van appellante. Betrokkene erkent tijdens een gesprek met de directeur dat zij sedert anderhalf jaar declaraties heeft ingediend voor [dienstreis]bezoeken die niet zijn verricht. Appellante informeert betrokkene bij brief van 26 maart 2015 over het opleggen van een schorsing en het voornemen tot beƫindiging van de arbeidsovereenkomst. Betrokkene heeft zich op dat moment reeds ziek gemeld. Om die reden kondigt appellante in de brief van 26 maart 2015 aan dat, omdat appellante deze ziekmelding niet accepteert, indien betrokkene zich niet uiterlijk 30 maart 2015 hersteld zou hebben gemeld, de arbeidsovereenkomst niet zal worden opgezegd, maar de kantonrechter zal worden verzocht de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden. Daarbij wijst appellante erop dat zowel bij een gerechtvaardigd ontslag op staande voet, opzegging wegens een dringende reden, dan wel bij een ontbinding wegens een dringende reden geen aanspraak kan worden gemaakt op een WW-uitkering. Bij beschikking van 19 juni 2015 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2015 ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding. Betrokkene vraagt op 6 juli 2015 bij UWV een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aan. De WW-uitkering wordt toegekend. In besluit op bezwaar van appellante oordeelt UWV alsnog dat sprake is van verwijtbare werkloosheid. Om die reden komt de WW-uitkering niet tot uitbetaling. De rechtbank verklaart het beroep van betrokkene gegrond. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH2392) overweegt de rechtbank dat appellante bewust heeft afgezien van een ontslag op staande voet en daarbij heeft betrokken de duur van de dienstbetrekking en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor betrokkene zou hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante hiermee blijk gegeven dat er in het specifieke geval van betrokkene geen sprake was van een subjectief dringende reden voor ontslag.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is niet de keuze van de werkgever voor de wijze van ontslag bepalend voor de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid, maar zijn het de redenen voor het ontslag die de doorslag geven (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:BH2392 en 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4912). De Raad stelt vast dat sprake is van ernstige gedragingen. Betrokkene heeft voorgewend dat zij stagebezoeken heeft afgelegd, heeft daarvoor reiskosten geclaimd, heeft voorgewend dat zij de voortgang van de stages volgde en heeft toen zij daarmee werd geconfronteerd nog steeds geen openheid van zaken gegeven. Anders dan betrokkene heeft gesteld is sprake van een objectieve dringende reden om tot ontslag over te gaan. Uit de geciteerde brief van appellante van 26 maart 2015 blijkt dat appellante de gedragingen van betrokkene beschouwde als een dringende reden en dat om die reden die dienstbetrekking zou worden beƫindigd. Appellante heeft in dat verband benadrukt dat er geen sprake van kon zijn dat betrokkene in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering. Dat appellante in de brief van 26 maart 2015 te kennen heeft gegeven geen ontslag op staande voet te willen geven vanwege de consequenties voor appellante maakt dat niet anders. Uit de voortvarendheid waarmee appellante heeft gehandeld, kan ook niet worden afgeleid dat geen sprake is van een dringende reden. Daarbij is mede van belang dat appellante steeds aan betrokkene heeft voorgehouden dat de dienstbetrekking vanwege dringende redenen diende te eindigen en dat zij met ingang van 26 maart 2015 is geschorst. Aan het ontslag lag zowel in objectieve als in subjectieve zin een dringende reden ten grondslag. Niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden van betrokkene die meebrengen dat van een dringende reden geen sprake was. UWV heeft in het bestreden besluit terecht geconcludeerd dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden. Niet kan worden gezegd dat betrokkene het niet nakomen van de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet in overwegende mate kan worden verweten. Bij het bestreden besluit is de WW-uitkering dan ook terecht geweigerd. Het hoger beroep van appellante en UWV slaagt.