Rechtspraak
Appellant is werkzaam bij werkgever 1 voor 38 uur per week en bij werkgever 2 voor 8 uur per week. Op 4 februari 2013 meldt hij zich ziek met lichamelijke en met name psychische klachten. Hij ontvangt een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Op 10 november 2014 vraagt appellant een uitkering aan op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In verband met deze aanvraag onderzoekt een verzekeringsarts appellant op 10 december 2014. Door de verzekeringsarts is, na telefonisch overleg met appellant op 22 januari 2015, een klinische observatie aangevraagd wegens discrepantie tussen de informatie van de psychiater en de bevindingen van het NPO in een eerder onderzoek. Een diagnostische opname is gepland van 9 februari tot en met 13 februari 2015. Bij besluit van 28 januari 2015 is appellant in aanmerking gebracht voor een voorschot op een WIA-uitkering vanaf 1 februari 2015, omdat nog niet bekend was of appellant een uitkering kan krijgen. Op 9 februari 2015 heeft appellant telefonisch de diagnostische opname afgezegd. Bij besluit van 23 februari 2015 is de betaling van het voorschot op de WIA-uitkering vanaf 1 maart 2015 geschorst, omdat niet vastgesteld kan worden of appellant nog langer een uitkering kan krijgen aangezien hij zich niet heeft laten onderzoeken door een (medisch) deskundige. Het geschil spitst zich toe op de vragen of een klinische observatie nodig is voor het vaststellen van het recht op een WIA-uitkering en zo ja, of appellant goede redenen had om niet mee te werken aan dit onderzoek.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Gelet op de bewoordingen van artikel 46a Wet WIA is het aan UWV om te beoordelen of een medisch onderzoek noodzakelijk is voor de vaststelling van het recht op uitkering. Dit betekent dat de uitoefening van deze bevoegdheid door UWV door de rechter terughoudend moet worden getoetst. Dat betekent dat de toetsing beperkt is tot de beoordeling of het UWV in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat een diagnostische opname noodzakelijk is voor het vaststellen van het recht op uitkering (zie de uitspraak van de Raad van 10 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:93). Uit de gedingstukken blijkt dat de behandelend psychiater en de verzekeringsartsen van mening verschillen over de ernst en de aard van de psychische klachten van appellant. Om die reden is op verzoek van UWV een NPO verricht, waarin geconcludeerd is dat cognitieve klachten niet kunnen worden geobjectiveerd wegens onderpresteren en overrapporteren. Volgens de testpsycholoog kan dat het best worden verklaard in het kader van malingering. De verzekeringsarts heeft bij de beoordeling van de WIA-aanvraag bij zijn eigen onderzoek ook enige discrepanties vastgesteld. De behandelend psychiater heeft desgevraagd kenbaar gemaakt geen aanwijzingen te hebben gevonden voor malingering, maar heeft daar ook geen onderzoek naar verricht. Op grond hiervan heeft UWV de aanwezige medische gegevens in het dossier onvoldoende kunnen achten om op een verantwoorde wijze tot een afgewogen medisch oordeel ten aanzien van appellant te kunnen komen. Onder de geschetste omstandigheden heeft UWV zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een diagnostische opname noodzakelijk en proportioneel was voor de vaststelling van het recht op een WIA-uitkering. Weliswaar is opname een zwaar middel, maar een minder zwaar alternatief was – mede gelet op de dagopname van het NPO waaruit juist het vermoeden van malingering naar voren kwam – in dit geval niet aanwezig. Dat appellant vanwege medische en praktische problemen niet aan de observatie kon deelnemen heeft hij onvoldoende onderbouwd. Appellant had dus geen goede redenen om niet mee te werken aan dit onderzoek. UWV heeft daarom terecht het voorschot op de WIA-uitkering per 1 maart 2015 geschorst.