Naar boven ↑

Rechtspraak

Onvoldoende aannemelijk dat tussen partijen sprake was van een gezagsverhouding; WW-uitkering terecht afgewezen.

B.V. 1 is met ingang van 27 februari 2014 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Op 6 januari 2015 wordt B.V. 1 failliet verklaard, waarna de curator de arbeidsovereenkomst van appellant met B.V. 1 opzegt. Appellant vraagt vervolgens een faillissementsuitkering aan, die door UWV wordt afgewezen. Tevens wijst UWV de aanvraag van appellant om een reguliere WW-uitkering af. In beide gevallen wijst UWV de uitkeringen af omdat appellant volgens UWV geen werknemer in de zin van de WW was. Het bezwaar en beroep tegen deze besluiten zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het debat spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of tussen appellant en B.V. 1 sprake was van een gezagsverhouding. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betreft het hier een aanvraagsituatie, zodat het in beginsel op de weg van appellant ligt om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht heeft op de uitkeringen die hij wenst te ontvangen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding. De afdrukken van Whatsapp-gesprekken tussen appellant en X (de bevoegde functionaris van B.V. 1), die volgens appellant een aanwijzing vormen voor het bestaan van een gezagsverhouding, zijn door appellant pas in hoger beroep overgelegd en appellant heeft eerder in de procedure ook geen melding gemaakt van het bestaan hiervan. Het had voor de hand gelegen deze afdrukken met voortvarendheid in de procedure in te brengen. Daar komt bij dat deze gesprekken in eerste instantie verkeerd waren gedateerd, volgens appellant doordat zijn telefoon op de verkeerde datum stond. Als reden waarom hij pas onlangs – vier jaar na dato – zou hebben geconstateerd dat zijn telefoon op de verkeerde datum stond, heeft hij genoemd dat het een oude telefoon betrof die hij niet meer gebruikte en die hij heeft opgezocht om de oude Whatsapp-gesprekken te achterhalen. Gelet op het tijdstip in de procedure waarop appellant afdrukken van Whatsapp-gesprekken heeft ingebracht, kan aan de afdrukken van Whatsapp-gesprekken niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan wenst te hechten. Voor de door appellant overgelegde e-mails geldt net als voor de afdrukken van Whatsapp-gesprekken dat het opmerkelijk is dat appellant deze niet in een eerder stadium van de procedure heeft ingebracht. Het hoger beroep faalt.