Rechtspraak
Appellante wordt bij besluit van 9 maart 2016 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Appellante maakt in dat verband bezwaar tegen de hoogte van het dagloon, nu zij in juni en augustus 2015 twee nabetalingen (in totaal: € 35.580,51) van haar toenmalige werkgever had ontvangen. Deze nabetalingen hielden verband met het feit dat haar toenmalige werkgever zich op het standpunt had gesteld dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd, maar dat de kantonrechter had geoordeeld dat sprake was van opvolgend werkgeverschap, waardoor de arbeidsovereenkomst (enige tijd) is blijven voortbestaan. Volgens appellante had UWV deze nabetalingen moeten meenemen bij de berekening van het dagloon, omdat sprake was van nabetaling van salaris, dat is aan te merken als loon in de zin van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen 2015 (Dagloonbesluit 2015). Het bezwaar en beroep zijn – althans ten aanzien van het al dan niet in acht nemen van de nabetalingen bij het bepalen van de hoogte van het dagloon – ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Naar vaste rechtspraak is voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dan wel uit vroegere dienstbetrekking bepalend of het loon ten nauwste verband houdt met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en daarvoor een rechtstreekse beloning vormt. In dat geval is sprake van loon uit tegenwoordige arbeid. Als de inkomsten meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid en dus niet een onmiddellijke tegenprestatie vormen voor arbeid, is sprake van inkomsten uit vroegere arbeid. De nabetalingen in juni en augustus 2015 kunnen niet anders worden gekwalificeerd dan als nabetalingen van achterstallig loon. Zo heeft de kantonrechter het in zijn vonnis ook verwoord. De nabetalingen houden derhalve ten nauwste verband met de periode van 19 oktober 2013 tot en met 3 juni 2015. De omstandigheid dat appellante van 19 oktober 2013 tot en met 3 juni 2015 feitelijk geen arbeid heeft verricht voor haar toenmalig werkgever, betekent niet dat geen sprake is van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Vaststaat dat appellante in die periode wel bereid was de bedongen arbeid te verrichten, maar dat van dat aanbod geen gebruik is gemaakt. De nabetalingen in juni en augustus 2015 moeten dan ook worden gekwalificeerd als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Voorts is er naar het oordeel van de Raad geen aanleiding om af te wijken van het Dagloonbesluit 2015 omdat het dagloon geen redelijke afspiegeling van het welvaartsniveau van appellante zou vormen. Het hoger beroep slaagt.