Naar boven ↑

Rechtspraak

Herleving maatregel van blijvend gehele weigering WW-uitkering: beide besluiten zien op hetzelfde recht op WW-uitkering dat na eindiging weer is herleefd.

Appellant is werkzaam via een uitzendbureau. Met ingang van 1 oktober 2015 vraagt appellant een WW-uitkering aan omdat zijn arbeidsovereenkomst niet was verlengd. Bij besluit van 9 november 2015 weigert UWV de WW-uitkering van appellant blijvend en geheel bij wijze van maatregel, omdat appellant door het uitzendbureau aangeboden passend werk zonder goede reden niet heeft aangenomen. Appellant heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt. Vervolgens gaat appellant per 23 november 2015 werken via een ander uitzendbureau. Omdat daar geen werk meer voorhanden is, vraagt appellant op 16 december 2015 wederom een WW-uitkering aan. Bij besluit van 22 december 2015 stelt UWV vast dat appellant met ingang van 4 december 2015 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat de eerder bij besluit van 9 november 2015 opgelegde maatregel van blijvend gehele weigering herleeft, omdat geen nieuw WW-recht is ontstaan. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard, nu appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 9 november 2015. Het beroep is vervolgens gegrond verklaard, waarbij het bestreden besluit is vernietigd en is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen er niet van overtuigd te zijn dat appellant in deze procedure de (al dan niet) verwijtbaarheid van zijn werkloosheid niet ter discussie kan stellen. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat UWV het motiveringsgebrek in voldoende mate had hersteld. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. UWV heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, waarbij UWV aanvoert dat het besluit van 9 november 2015 inmiddels formele rechtskracht heeft gekregen, zodat de opgelegde maatregel van blijvend gehele weigering in onderhavige procedure niet meer ter discussie kan worden gesteld.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak ziet de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen, en dus niet mede op oordelen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Op grond van deze rechtspraak bindt de vaststelling van de feiten en omstandigheden in een in rechte onaantastbaar besluit partijen niet voor zover die feiten de grondslag vormen voor een ander besluit gebaseerd op andere gronden. Die feiten en omstandigheden hebben alleen binding in dezelfde rechtsbetrekking. Deze laatste situatie doet zich hier voor. Zowel het besluit van 9 november 2015 als het besluit van 22 december 2015 ziet op de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering in verband met hetzelfde recht dat is ontstaan op de eerste werkloosheidsdag en na eindiging is herleefd op 4 december 2015. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, konden de inhoud van de maatregel en de gronden waarop die berust daarom door appellant niet meer worden aangevochten. Daarmee was UWV op grond van artikel 28 WW gehouden om de eerder opgelegde maatregel voort te zetten. De stelling van appellant dat herleving van de maatregel in strijd is met artikel 1 van het EP bij het EVRM wordt verworpen. Het incidenteel hoger beroep van UWV slaagt.