Rechtspraak
Appellant is sinds 18 maart 1985 in dienst bij werkgever. Appellant is werkzaam in de functie van lid van het managementteam (MT-lid) en afdelingshoofd van de afdeling Intake & Acceptance. In deze functie is appellant voor zijn afdeling verantwoordelijk voor de inkoop van consumables voor de uitoefening van laboratoriumactiviteiten, zoals filters. In juli 2016 ontdekt een medewerker van de werkgever dat de adresgegevens van Bedrijf B, waarbij filters werden ingekocht, dezelfde zijn als de adresgegevens van appellant. De werkgever stelt vervolgens een onderzoek in naar de betrokkenheid van appellant bij dit bedrijf. Uit het onderzoek blijkt dat appellant van 1 februari 2014 tot 1 juli 2015 stond ingeschreven als eigenaar van dit bedrijf. Vanaf 1 juli 2015 staat het bedrijf op de naam van de partner van appellant. Het bedrijf waarmee de werkgever voor 1 juli 2015 zaken deed, stond op naam van de ex-partner van appellant en was ingeschreven op het vorig adres van appellant. Uit het onderzoek blijkt dat appellant vanuit zijn positie bij de werkgever met Bedrijf B communiceerde via e-mails. Appellant heeft opdrachten verstrekt aan Bedrijf B en is met Bedrijf B een tweejarig contract aangegaan. Op 1 augustus is appellant op staande voet ontslagen. UWV beslist dat de WW-uitkering niet wordt uitbetaald wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank wijst het beroep van appellant af. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij heeft verbloemd dat hij inkopen deed bij het bedrijf van zijn echtgenote, Bedrijf B. Appellant heeft erop gewezen dat hij van zijn werkgever toestemming had gekregen om zaken te doen met een bevriende relatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellant kan worden verweten dat hij heeft verzuimd om kenbaar te maken dat Bedrijf C het bedrijf van zijn ex-partner was en Bedrijf B het bedrijf van zijn huidige partner. In de e-mail van 23 april 2012 heeft appellant enkel gemeld: “the supplier is an acquintance of mine”. Hiermee heeft appellant aan de werkgever een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. Bovendien heeft appellant niet gemeld dat hij in februari 2014 zelf eigenaar is geworden van Bedrijf B en dat dit bedrijf tot 1 juli 2015 op zijn naam heeft gestaan en sinds 1 juli 2015 op naam van zijn huidige partner staat. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant door deze gedraging het vertrouwen dat de werkgever in hem stelde ernstig heeft geschonden en de schijn van een belangenverstrengeling heeft gewekt, waarmee hij de belangen van de werkgever ernstig heeft veronachtzaamd. Het standpunt van appellant dat hem van de dringende reden geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij met de hem verweten gedraging juist inkoopvoordeel voor zijn werkgever zou hebben gerealiseerd, gaat dan ook niet op. Persoonlijke omstandigheden zijn in voldoende mate door het UWV in de besluitvorming betrokken. Dat de werkgever het op 1 augustus 2016 aan appellant gegeven ontslag op staande voet heeft ingetrokken en met appellant een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, waarin is vastgelegd dat de datum van beëindiging van het dienstverband 1 januari 2017 is, levert geen omstandigheid op die afdoet aan de dringendheid van de reden zoals hiervoor overwogen. De verweten gedragingen vormden voor de werkgever immers de reden om het dienstverband te beëindigen. De rechtbank heeft niet kenbaar beoordeeld of appellant van de dringende reden een verwijt kon worden gemaakt. De Raad ziet echter geen aanwijzingen dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kon worden verweten. Het hoger beroep slaagt niet.