Rechtspraak
Op 1 mei 2017 vraagt betrokkene een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 18 juli 2017 stelt het UWV vast dat betrokkene per 25 april 2017 recht heeft op een WW-uitkering en daarbij bepaalt UWV dat deze niet tot uitbetaling komt omdat hij verwijtbaar werkloos is. Hiertegen maakt betrokkene bezwaar. Het bezwaar wordt gegrond verklaard en het UWV beslist dat de WW-uitkering per 25 april 2017 onder voorschot betaalbaar wordt gesteld. Het UWV heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, omdat door het niet-voortvarend handelen van het college bij het ontslag van betrokkene een subjectieve dringende reden ontbreekt. Hiertegen heeft het college zonder succes beroep ingesteld. Het college voert in hoger beroep aan dat sprake is van verwijtbare werkloosheid, omdat het voortvarend heeft gehandeld bij het ontslag van betrokkene. Daardoor is ook in subjectieve zin sprake van een dringende reden. Op 28 januari 2019 neemt het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Daarin wordt het bezwaar van betrokkene alsnog ongegrond verklaard en de betaling van zijn WW-uitkering wordt per 1 februari 2019 beëindigd op grond van verwijtbare werkloosheid. Het UWV stelt zich op het standpunt dat gelet op de uitspraak van de Raad van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3469), van belang is of er sprake is van een dringende reden voor het ontslag als bedoeld in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek. Van een dergelijke dringende reden voor het ontslag van betrokkene was volgens het UWV sprake. Bij besluit van 14 maart 2019 stelt UWV vast welk bedrag aan het college wordt terugbetaald als gevolg van de ten onrechte door het college betaalde WW-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Tussen het college en het UWV bestaat inhoudelijk niet langer een verschil van mening. Het college verzoekt louter om een proceskostenveroordeling. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3330) kan echter geen (proces)belang worden ontleend aan de door het college gewenste proceskostenveroordeling. Om die reden wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Betrokkene heeft tegen bestreden besluit 2 enkel aangevoerd dat dit is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de beslissing op bezwaar – waarbij betrokkene waarschijnlijk doelt op bestreden besluit 1 – in rechte vaststaat. Dit betoog wordt niet gevolgd, omdat ten gevolge van de (hoger)beroepsprocedure de beslissing op bezwaar nog niet rechtens onaantastbaar was. Voor zover betrokkene daarbij doelt op het moment van beëindiging van de WW-uitkering, wordt erop gewezen dat het UWV de betaling van de WW-uitkering van betrokkene bij bestreden besluit 2 eerst per toekomende datum, in dit geval 1 februari 2019, heeft beëindigd. Het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 zal daarom ongegrond worden verklaard.