Rechtspraak
Bij besluit van 12 november 2012 stelt UWV vast dat de WGA-uitkeringen van een viertal (ex-)werknemers voor rekening van appellante 2 komen. De rechtsgevolgen van het besluit zijn vast komen te staan. Bij besluit van 5 maart 2013 (verhaalsbesluit 1) verhaalt UWV op appellante 2 een nettobedrag van € 164.366. Tegen dit verhaalsbesluit heeft appellante 1 zowel als gevolmachtigde van appellante 2 als op eigen titel bezwaar gemaakt. Vanwege de grote financiële belangen van appellante 1 als verzekeraar en garantsteller van eigenrisicodragende werkgevers (geschat op € 20 miljoen) is appellante 1 met UWV overeengekomen dat in deze zaken proefprocessen zullen worden gevoerd. Bij besluit van 21 augustus 2015 (bestreden besluit 1) verklaart UWV het bezwaar van appellante 2 ongegrond en dat van appellante 1 niet-ontvankelijk op de grond dat appellante 1 niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellanten zijn van bestreden besluit 1 in beroep gekomen bij Rechtbank Midden-Nederland. Volgens de rechtbank heeft appellante 1 geen rechtstreeks belang bij verhaalsbesluit 1, omdat zij slechts door haar contractuele relatie met appellante 2 in haar financiële belang wordt geraakt (aangevallen uitspraak 1).
UWV heeft eveneens WGA-uitkeringen van ex-werknemers van de failliete vennootschap BV X op appellante 1 verhaald. BV X was vanaf 1 juli 2009 eigenrisicodrager voor de WGA. In dat verband heeft appellante 1 op 5 mei 2009 een garantieverklaring ondertekend, waarmee zij zich jegens UWV garant heeft gesteld voor de verplichtingen van de eigenrisicodrager. BV X is op 22 september 2010 failliet gegaan. Bij besluit van 8 november 2012 heeft UWV vastgesteld dat de WGA-uitkeringen van twee ex-werknemers voor rekening van appellante 1 komen. De rechtsgevolgen van dit besluit zijn komen vast te staan. Bij besluit van 27 mei 2013 (verhaalsbesluit 2) heeft UWV de WGA-uitkeringen van de ex-werknemers met een totaal bedrag van € 67.275,07 op appellante 1 verhaald. Hiertegen heeft appellante 1 bezwaar gemaakt. Het bezwaar is ongegrond verklaard en appellante 1 is van dat besluit in beroep bij de rechtbank gekomen. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de Rechtbank Gelderland het beroep van appellante 1 tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt.
Oordeel over aangevallen uitspraak 1. Een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Het verhaalsbesluit van 5 maart 2013 was gericht aan appellante 2 en niet (ook) aan appellante 1. Het belang dat appellante 1 als garantsteller en/of verzekeraar bij verhaalsbesluit 1 heeft, vloeit slechts voort uit de door haar met appellante 2 gesloten overeenkomst. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 31 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF0226) betreft het daarmee een afgeleid belang dat niet rechtstreeks bij het verhaalsbesluit is betrokken. Daarom kan appellante 1 niet worden aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Wat appellante 1 op dit punt in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Tussen partijen is niet in geschil dat UWV op grond van bepalingen van dwingend recht verplicht is de WGA-uitkeringen op appellante 2 te verhalen. Ook is niet in geschil dat voor deze bepalingen geen hardheidsclausule geldt en van de plicht van UWV om te verhalen in beginsel niet kan worden afgeweken. Dat is slechts anders als UWV zozeer in strijd heeft gehandeld met algemene rechtsbeginselen dat voor Uwv geen verhaalsplicht meer kan gelden. Daarvan geeft de beroepsgrond geen blijk. Het hoger beroep slaagt niet.
Oordeel over aangevallen uitspraak 2.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat hetgeen door eiseres naar voren is gebracht niet kan worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden om af te zien van verhaal. Dat appellante 1 niet op de hoogte was van de toekenningsbesluiten van WGA-uitkeringen kan UWV niet verweten worden en dient voor rekening en risico te blijven van appellante 1. UWV is namelijk niet gehouden om deze beslissingen – ongevraagd – aan appellante 1 te verstrekken. Het was voor eiseres bovendien mogelijk om via de werkgever op de hoogte te geraken van de toekenningsbesluiten. Verder is van belang dat tegen het toerekeningsbesluit van 8 november 2012 geen rechtsmiddel is aangewend en dat dit besluit dan ook in rechte vaststaat. Eventuele bezwaren tegen (de termijn van het nemen van) het toerekeningsbesluit hadden tegen dit besluit ingebracht moeten worden. De enkele omstandigheid dat UWV pas op 27 mei 2013 een verhaalsbesluit heeft genomen over WGA-uitkeringen betaald vanaf 1 juli 2009 kan niet tot de conclusie leiden dat UWV niet meer had mogen verhalen. Appellante 1 wist, althans had redelijkerwijs kunnen weten dat er aan werknemers van de werkgever een WGA-uitkering was toekend, dat de werkgever eigenrisicodrager was en dat de werkgever in 2010 failliet was gegaan. Appellante 1 had gezien deze omstandigheden en de op UWV rustende wettelijke plicht tot verhalen kunnen verwachten dat verweerder een verhaalsbeslissing zou nemen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel baat appellante evenmin. De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank in haar standpunt dat eiseres geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan standaardbrieven die uitsluitend zijn gestuurd aan eigenrisicodragers op wie maandelijks werd verhaald. Het hoger beroep slaagt niet.