Naar boven ↑

Rechtspraak

Met annotatie door A. Wit
Met annotatie door A. Wit

De laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid feitelijk verrichte arbeid is de maatstaf arbeid in het kader van de ZW. Dat uitgangspunt geldt – anders dan voorheen – ook als de werknemer is hervat in voor hem ongeschikte arbeid.

Appellant is vanaf 23 februari 2011 werkzaam als postsorteerder voor 30 uur per week. Op 9 mei 2011 meldt hij zich ziek met rugklachten. UWV weigert na afloop van de voorgeschreven wachttijd aan appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per 8 april 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant is met zijn beperkingen in staat geacht de functies van productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 111172), snackbereider (handmatig) (SBC-code 111071) en magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code 111220) te vervullen. Op 7 april 2015 gaat appellant via B.V. als productiemedewerker werken. Op 17 april 2015 meldt hij zich opnieuw ziek met rugklachten. Nadat het dienstverband per 30 april 2015 eindigt brengt UWV appellant met ingang van 1 mei 2015 in aanmerking voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Op 27 oktober 2015 bezoekt appellant het spreekuur van een verzekeringsarts. Deze arts acht appellant per 16 november 2015 geschikt voor de bij de WIA-beoordeling geduide functies. Vervolgens stelt UWV vast dat appellant per 16 november 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door uit te gaan van de bij de WIA-beoordeling geduide functies in plaats van de laatstelijk voor de uitval op 17 april 2015 verrichte arbeid van productiemedewerker.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Partijen houdt verdeeld de vraag wat op de datum in geding (16 november 2015) voor appellant als maatstaf arbeid in het kader van de ZW heeft te gelden. Volgens vaste rechtspraak is bij de beoordeling van de ongeschiktheid tot werken in de zin van de ZW, de maatstaf arbeid de laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid feitelijk verrichte arbeid. Die hoofdregel geldt ook indien een betrokkene na een eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de Wet WIA of een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling – op basis van geschiktheid voor de maatgevende arbeid dan wel voor geselecteerde functies – in enig werk heeft hervat. Een uitzondering werd in de rechtspraak aangenomen in het geval een betrokkene na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling hervatte in voor hem ongeschikt werk. In dat geval gold als maatstaf arbeid de gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd in de functies die bij de eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor de betrokkene geschikt zijn geacht (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6932). Namens appellant is aangevoerd dat er aanleiding is om niet langer vast te houden aan deze in de rechtspraak gemaakte uitzondering op de hoofdregel, gelet op de overwegingen van de wetgever bij het laten vervallen van artikel 44 van de ZW per 1 januari 2011. Op grond van artikel 44, eerste lid, onder a, van de ZW was UWV bevoegd de uitkering van ziekengeld te weigeren, indien de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, anders dan wegens zwangerschap of bevalling, bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam. Deze bepaling is komen te vervallen vanwege twee redenen. Allereerst dient in het kader van werkaanvaarding de nadruk te liggen op iemands mogelijkheden tot werken. Ten tweede geldt dat een werknemer er uit een oogpunt van rechtszekerheid bij indiensttreding van uit mag gaan dat het risico van ongeschiktheid voor de aanvaarde arbeid in het kader van de ZW is verzekerd. Hoewel de overwegingen specifiek betrekking hebben op de destijds in artikel 44 van de ZW neergelegde bevoegdheid tot het weigeren van ziekengeld wegens bij aanvang verzekering reeds bestaande of te verwachten ongeschiktheid tot werken, geven de overwegingen van de wetgever uitdrukking aan een veranderde opvatting. Bij dit gewijzigde inzicht van de wetgever past niet dat de voor de uitval door een verzekerde feitelijk verrichte arbeid niet langer als maatstaf geldt voor de vaststelling van diens ZW-aanspraken, indien na die uitval – dus achteraf – wordt vastgesteld dat bij indiensttreding al sprake was van ongeschiktheid voor de aanvaarde arbeid. Het hoger beroep slaagt.