Rechtspraak
Appellant wordt per 1 juli 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). UWV verleent appellant toestemming om met behoud van zijn WW-uitkering in de periode van 11 januari 2016 tot en met 21 februari 2016 te onderzoeken of hij een eigen bedrijf kan starten. Vervolgens verzoekt appellant UWV om toestemming om gebruik te maken van de regeling van artikel 77a van de WW (startperiode). UWV weigert dit. Bij beslissing op bezwaar van 14 juni 2016 (bestreden besluit) verklaart UWV dit bezwaar ongegrond. UWV stelt dat de toestemming is geweigerd omdat appellant nog gedeeltelijk werkzaam is in loondienst. Conform intern beleid van het UWV komt appellant daarom niet in aanmerking voor de startperiode, omdat in dit geval niet blijkt dat hij de intentie heeft om volledig als zelfstandige te starten. Ook het beroep wordt ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogt appellant dat de werkinstructie niet strookt met de bedoeling van de wetgever.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Uit artikel 77a, eerste lid, van de WW vloeit voort dat UWV, alvorens gebruik te kunnen maken van de bevoegdheid om de toestemming te verlenen, eerst moet vaststellen dat is voldaan aan de in onderdeel a van dat artikellid geformuleerde voorwaarde dat het aannemelijk is dat de werknemer in de toekomst met zijn werkzaamheden als zelfstandige structureel in zijn bestaan kan voorzien. UWV legt, blijkens de interne werkinstructie, deze vage norm zo uit dat de betrokkene zich geheel moet richten op het volledig werkzaam zijn als zelfstandige met als doel dat met het eigen bedrijf volledig in het eigen bestaan wordt voorzien. Deze door UWV aan artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW gegeven uitleg is juist. Reeds uit de bewoordingen van dit artikelonderdeel volgt dat de intentie van een werknemer volledig gericht dient te zijn op het in eigen bedrijf verwerven van zodanige inkomsten dat daarmee – en daarmee alleen – uitstroom uit de WW wordt gerealiseerd. Ook uit de door appellant genoemde toelichting bij de nota van wijziging volgt dat met het gunnen van een startperiode een volledige uitstroom uit de uitkering werd beoogd. Het hoger beroep slaagt niet.