Naar boven ↑

Rechtspraak

Militair die ontucht pleegde met minderjarige is verwijtbaar werkloos geworden.

Betrokkene, werkzaam bij het ministerie van Defensie als militair, bericht begin januari 2015 zijn leidinggevende dat er mogelijk aangifte tegen hem was gedaan ter zake van een zedenmisdrijf. Betrokkene wordt op 3 maart 2015 door de Koninklijke Marechaussee (KMar) aangehouden op verdenking van een zedenmisdrijf en in verzekering gesteld tot 5 maart 2015. Bij besluit van 17 maart 2015 wordt betrokkene met ingang van 17 maart 2015 geschorst en bij vonnis van 1 februari 2016 wordt betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens – kort gezegd – het plegen van ontucht met een minderjarig meisje. Betrokkene heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 5 februari 2016 is met ingang van1 april 2016 ontslag verleend op grond van wangedrag als bedoeld in het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR). Op 15 maart 2016 vraagt betrokkene een WW-uitkering aan. Bij besluit van 30 maart 2016 beslist UWV dat betrokkene recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet tot uitbetaling komt omdat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden, nu aan zijn ontslag een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard, het beroep is gegrond verklaard. Volgens de rechtbank is niet in geschil dat aan het ontslag een objectief dringende reden ten grondslag ligt, maar heeft de staatssecretaris echter onvoldoende voortvarend gehandeld.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In de uitspraak van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3469) heeft de Raad geoordeeld dat voor de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid, een materiële beoordeling plaats dient te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Indien tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal in het kader van artikel 24 lid 2 sub a WW vervolgens nog moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt. Hieruit volgt dat een voortvarende reactie van de werkgever op het verweten gedrag niet (langer) een afzonderlijke voorwaarde is voor het aannemen van een dringende reden, maar dat diens reactie op het gedrag een van de elementen is die, naast de aard en ernst van de gedraging van de werknemer en alle andere genoemde elementen, moet worden gewogen voor het antwoord op de vraag of aan het ontslag een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. De Raad komt tot het oordeel dat die vraag in de onderhavige kwestie bevestigend moet worden beantwoord, nu – kort samengevat – vaststaat dat appellant is veroordeeld voor het plegen van ontucht met een minderjarige. Nu er ook geen aanwijzingen zijn dat de werkloosheid betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten, was UWV op grond van artikel 27 WW gehouden de WW-uitkering van betrokkene per 1 april 2016 in het geheel niet tot uitbetaling te laten komen. Het hoger beroep slaagt.