Rechtspraak
Betrokkene is werkzaam als medisch secretaresse bij het ziekenhuis in ’s-Hertogenbosch (werkgever). Betrokkene en werkgever komen op 22 januari 2015 overeen dat betrokkene 100 extra vakantie-uren kan opnemen in de periode van 6 april 2015 tot en met 3 juli 2015. Deze vakantie-uren worden verrekend met het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering over 2015. De 100 uur aan extra vakantie-uren zijn door de werkgever in december 2015 ingehouden op het loon van betrokkene, zijnde een bedrag van € 1.621. Op 3 februari 2016 komen betrokkene en werkgever opnieuw overeen dat betrokkene 100 extra vakantie-uren kan opnemen in de periode van 1 maart 2016 tot en met 1 september 2016. In mei 2016 wordt hiervan 50 uur ingehouden op het loon van betrokkene, zijnde een bedrag van € 823. Op 6 juni 2016 meldt betrokkene zich ziek. Bij besluit van 23 mei 2017 kent UWV aan betrokkene per 21 juni 2017 een IVA-uitkering toe van € 1.778,67 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Deze uitkering is gebaseerd op een volgens opgave van de werkgever genoten jaarloon van € 30.199,58 (sv-loon) gedeeld door 261 dagen, leidend tot een (geïndexeerd) dagloon van € 117,76. Betrokkene maakt bezwaar gemaakt tegen de hoogte van haar uitkering omdat zij van mening is dat het dagloon te laag is vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Nu ter zitting tussen partijen is komen vast te staan dat de inhouding op het loon in verband met de in 2016 aangekochte 50 extra vakantie-uren in mei 2016 geen dagloonverlagend effect heeft, spitst het geschil zich toe op de vraag of en hoe UWV toepassing had moeten geven aan artikel 17 van het Dagloonbesluit ten aanzien van de in december 2015 ingehouden vakantie-uren. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen was ten aanzien van de in december 2015 ingehouden vakantie-uren sprake van verlof in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat voor de maand december 2015 met toepassing van artikel 17 van het Dagloonbesluit moet worden bezien of een, en zo ja welk, vervangend tijdvak dient te worden vastgesteld. Niet in geschil is dat de voor betrokkene geldende referteperiode loopt van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 en dat binnen deze referteperiode in november 2015, de maand voorafgaand aan de inhouding van de vakantie-uren in december 2015, geen sprake was van een inhouding van verlofuren. Op grond van de hoofdregel van artikel 17, eerste lid, van het Dagloonbesluit dient november 2015 dan ook als vervangend tijdvak te gelden. Hieruit vloeit voort dat het tweede en derde lid in dit geval niet meer aan de orde kunnen komen. Het standpunt van betrokkene dat op grond van het derde lid, het overeengekomen loon als uitgangspunt zou moeten worden genomen kan dan ook niet worden gevolgd. Toepassing van het eerste lid in het geval van betrokkene leidt tot het volgende. Betrokkene heeft in december 2015 blijkens de polisadministratie van de werkgever een sv-loon ontvangen, inclusief eindejaarsuitkering, van € 2.838 en in november 2015 een (lager) sv-loon van € 2.341. Nu de vervanging van het loon in december 2015 door dat van november 2015 daarom zou leiden tot een lager dagloon heeft UWV zich in hoger beroep terecht op het standpunt gesteld dat artikel 17 van het Dagloonbesluit op grond van het vierde lid buiten toepassing moet blijven. Voor zover betrokkene heeft betoogd dat een redelijke toepassing van de bedoeling van artikel 17 aanleiding zou moeten geven tot een ophoging van het in december 2015 genoten sv-loon met de niet uitbetaalde vakantie-uren is geen aanknopingspunt te vinden in de tekst van artikel 17 van het Dagloonbesluit. UWV heeft, gelet op het voorgaande, bij het bestreden besluit, zij het op onjuiste gronden, een juiste toepassing gegeven aan artikel 17 van het Dagloonbesluit zodat er geen aanleiding is om te concluderen dat het dagloon onjuist is vastgesteld.