Naar boven ↑

Rechtspraak

Ten onrechte loonsanctie opgelegd. Voor de berekening van de op UWV te verhalen schade gedurende het derde ziektejaar wordt ervan uitgegaan dat voor verzoekster de verplichting bestond om 70% van het loon door te betalen.

Bij uitspraak van 22 augustus 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2646) heeft de Raad overwogen dat de loonsanctie ten onrechte is opgelegd. In onderhavige zaak staat het door appellante ingediende verzoek om schadevergoeding centraal. Het geschil is beperkt tot de vraag of de schade van verzoekster aan loonkosten moet worden gesteld op € 37.935,23, zijnde 100% van het door haar aan haar werkneemster in het zogenoemde derde ziektejaar betaalde bedrag of, zoals door verzoekster nader is berekend, op € 27.735,33, zijnde 70% daarvan. In dit laatste bedrag kan UWV zich volgens de brief van 9 juli 2019 vinden. Verzoekster heeft erop gewezen dat werkneemster arbeidsongeschikt is geraakt als gevolg van een bedrijfsongeval. Om die reden heeft verzoekster zich moreel verplicht gevoeld om in het tweede ziektejaar 100% door te betalen. Gelet op artikel 11.4, tiende lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor Gehandicaptenzorg 2016 (CAO), was zij daarom ook in het derde ziektejaar gehouden om meer dan 70% van het loon aan werkneemster te betalen.

De Raad oordeelt als volgt. De wettelijke regeling van de loonsanctie in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en het BW verplicht de werkgever bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst het naar tijdruimte vastgestelde loon, zoals bepaald in artikel 7:629, eerste lid, van het BW, voort te zetten. De instandhouding van de door de werkgever en de werknemer gesloten overeenkomst brengt mee dat er een rechtstreeks verband is met de opgelegde loonsanctie voor zover het gaat om betalingen waartoe de werkgever uit hoofde van die overeenkomst gedurende het derde ziektejaar verplicht was. Wat betreft de verwijzing van verzoekster naar de voor haar geldende cao wordt vastgesteld dat die cao geen bepalingen bevat op grond waarvan gedurende het derde ziektejaar voor verzoekster de verplichting bestond om 100% van het laatstverdiende loon te betalen. Verzoekster kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat bepalingen met betrekking tot het tweede ziektejaar verplichtingen impliceren voor het derde ziektejaar. In andere woorden: niet is gebleken of aannemelijk geworden dat in dit geval de gevoelde morele verplichting van verzoekster tot betaling van 100% van het loon in het tweede ziektejaar zou hebben geleid tot een door werkneemster af te dwingen verplichting van verzoekster om die loondoorbetaling na afloop van het tweede ziektejaar voort te zetten. Van betalingen die voortvloeien uit afspraken die verzoekster en haar werkneemster hebben gemaakt over de verplichtingen en inspanningen van de verzoekster die zullen gelden in het derde ziektejaar en die voldoende concreet zijn en door de werkneemster zijn af te dwingen, is blijkens de gedingstukken geen sprake. Voor de berekening van de op UWV te verhalen schade gedurende het derde ziektejaar wordt ervan uitgegaan dat voor verzoekster de verplichting bestond om 70% van het loon door te betalen.