Rechtspraak
Bij de beslissing op bezwaar van 16 juli 2019 verklaart UWV het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juli 2016 alsnog gegrond. Omdat de appellant aangeboden arbeid een functie voor 24 uur per week betrof, vermindert UWV, onder verwijzing naar de tussenuitspraak, met toepassing van artikel 27, tweede en elfde lid, van de WW, de WW‑uitkering blijvend over 24 uur per week. Als gevolg hiervan ontvangt appellant vanaf 1 juli 2016 alsnog een WW-uitkering van € 957,91 per maand. Appellant stelt dat hij als gevolg van de besluiten zonder inkomsten zat en genoodzaakt was om vervroegd pensioen op te nemen. De schade die hij door het bestreden besluit heeft geleden is niet vergoed. Het gaat om de pensioeninkomsten die in mindering zijn gebracht op zijn WW-uitkering, het uitblijven van een bovenwettelijke uitkering van APG en appellant stelt dat hij als gevolg van het vervroegde pensioen minder pensioen ontvangt van het ABP. UWV ziet geen aanleiding deze schade te vergoeden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten van 19 juli 2016 en 16 november 2016 en de door appellant gestelde schade zoals omschreven in zijn brief van 2 september 2019. Bij de toetsing van een verzoek om schadevergoeding als het onderhavige wordt aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Met betrekking tot het causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de door appellant gestelde schade ligt de bewijslast bij appellant. Appellant dient aannemelijk te maken dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige besluiten niet waren genomen en UWV meteen een rechtmatige beslissing op zijn aanvraag om WW‑uitkering had genomen. In die bewijslast is appellant niet geslaagd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de onrechtmatige besluiten genoodzaakt was om vervroegd met pensioen te gaan en bij een rechtmatige besluitvorming door hUWV had kunnen rondkomen van de WW-uitkering van circa € 820 netto per maand en een bovenwettelijke uitkering van APG van circa € 210 netto per maand.