Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen grond om aan te nemen dat ten tijde van het ontslagverzoek voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van appellant kon worden gevergd.

Appellante is vanaf 1 februari 1992 werkzaam bij de gemeente Putten voor 36 uur per week. In 2013 verhuist appellant van Lelystad naar Dokkum om als mantelzorger de zorg voor zijn zieke moeder op zich te nemen. Hij ontvangt daarvoor een vergoeding uit een persoonsgebonden budget. Vanaf 1 januari 2017 tot en met 24 maart 2017 geniet appellant zorgverlof met behoud van salaris en vanaf 25 maart 2017 onbetaald verlof. Bij brief van 29 juni 2017 verzoekt appellant werkgever om hem met terugwerkende kracht per 22 juni 2017 eervol te ontslaan. Appellante vraagt per die datum een WW-uitkering aan. UWV stelt het recht op WW-uitkering vast, maar oordeelt dat het recht niet tot uitbetaling komt op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is. Appellant heeft immers zelf ontslag genomen zonder dat dit nodig was. In bezwaar stelt appellant dat hij geen WW-uitkering wil vanaf 23 juni 2017, maar pas vanaf 10 november 2017, de dag na het overlijden van zijn moeder. In de beslissing op bezwaar oordeelt UWV dat appellant in de periode vanaf 23 juni 2017 tot 10 november 2017 niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Reeds om die reden is het bezwaar ongegrond verklaard. Ook het beroep bij de rechtbank slaagt niet. In hoger beroep heeft UWV zijn standpunt dat appellant niet beschikbaar is voor arbeid niet gehandhaafd. Volgens UWV is op 23 juni 2017 recht op WW-uitkering ontstaan en is dat recht op WW‑uitkering toen meteen geëindigd omdat appellant niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden verrichtte vanuit het PGB-budget voor zijn moeder. Het recht op uitkering is herleefd met ingang van 10 november 2017, omdat hij met ingang van die datum niet langer de niet‑verzekeringsplichtige werkzaamheden verrichtte. Dat herleefde recht op WW‑uitkering komt blijvend niet tot uitbetaling met ingang van 10 november 2017 op grond van artikel 27, eerste en elfde lid, van de WW omdat volgens UWV sprake is van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW bepaalt dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat, in het geval de werknemer op eigen verzoek wordt ontslagen, de vraag of hij verwijtbaar werkloos is geworden een materiële beoordeling vereist. Voordat de dienstbetrekking van appellant op zijn verzoek met terugwerkende kracht tot 22 juni 2017 is beëindigd, heeft de werkgever appellant diverse mogelijkheden geboden om, al dan niet met onbetaald (zorg)verlof, de zorg voor zijn moeder op zich te kunnen nemen. Met UWV wordt geconcludeerd dat de werkgever, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, zich daarbij niet onredelijk heeft opgesteld. Appellant heeft er bewust voor gekozen om, terwijl hij een dienstbetrekking had bij werkgever, zelf voltijds de zorg voor zijn zieke moeder op zich te blijven nemen en geen professionele hulp van een thuiszorginstelling te aanvaarden. Die keuze is te respecteren, maar bracht geen noodzaak mee om met terugwerkende kracht tot 22 juni 2017 om ontslag te vragen. Met toepassing van artikel 27 WW komt de WW-uitkering niet tot uitbetaling. Het hoger beroep slaagt niet.