Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

De vordering van de curator is gebaseerd op artikel 2:248 BW. Ingevolge lid 1 van dit artikel is iedere bestuurder in geval van faillissement van de vennootschap jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De stelplicht en bewijslast dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur rust op de curator. De vraag of een bestuurder zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, moet worden beoordeeld naar hetgeen de bestuurder voorzag of kon voorzien op het moment dat hij zijn taak vervulde (MvA, Kamerstukken II 16 631, nr. 6, p. 3). Daarnaast is van belang dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben (HR 7 juni 1996, NJ 1996, 695).

Het feitenonderzoek leidt tot de conclusie dat aannemelijk is dat het onbehoorlijk bestuur, bestaande uit de doorstorting van het gehele exploitatiesaldo van Ganador en het niet uitonderhandelen van het aanbod van De Kruijf, een belangrijke oorzaak van het faillissement van Ganador is geweest. Hiermee staat de aansprakelijkheid van [gedaagde] ex artikel 2:248 BW ten aanzien van Ganador vast. [gedaagde] is dan ook gehouden tot betaling van het tekort in de boedel in het faillissement van Ganador. Waarbij in het bijzonder gedacht moet worden aan de achtergestelde schulden en de boedelkosten. Nu niet vast staat hoe groot dit tekort is, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure.