Rechtspraak
De werknemer (fiscaal medewerker, 51 jaar) is op een zaterdag, waarop hij een zakelijk bezoek heeft afgelegd aan een garagebedrijf, een ernstig verkeersongeval overkomen. Als gevolg daarvan heeft hij letsel opgelopen. Het ongeval heeft plaatsgevonden terwijl werknemer met zijn echtgenote boodschappen ging doen. De werknemer heeft de werkgever aansprakelijk gesteld op grond van primair artikel 7:658 BW en subsidiair artikel 7:611 BW. Het hof oordeelt dat het feit dat de werknemer het verkeersongeval heeft gekregen terwijl hij in privé tijd (per auto) boodschappen aan het doen was, reeds in de weg staat aan een (eventuele) toepasselijkheid van artikel 7:658 BW. Aan de beoordeling van de vraag of LTB haar zorgplicht heeft geschonden, komt het hof dan ook niet toe. Voorts kan niet geoordeeld worden dat de werkgever in strijd heeft gehandeld met art. 7:611 BW. Het onderhavige vervoer is niet op één lijn te stellen met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. De stelling van werknemer dat er sprake zou zijn van “bijzonder woon-werkverkeer” wordt niet gevolgd. Het niet afsluiten van een verzekering of het niet aanbieden van een adequate voorziening voor werknemer kan in dit geval niet tot aansprakelijkheid leiden, daar de schade is opgelopen terwijl werknemer niet in de uitoefening van zijn werkzaamheden was.
(Red.: Vergelijk HR 30 november 2007, JAR 2008/14 (Knoppen/NCM))