Rechtspraak
Een 60-jarige werknemer met 42-jarig dienstverband bij dezelfde werkgever wordt poging tot verduistering verweten, hetgeen volgens de werkgever een dringende reden voor ontbinding oplevert. Werknemer heeft aanvankelijk geprobeerd de opbrengst van een partij schroot ten goede te laten komen aan de voetbalvereniging. Voor zover er al sprake zou zijn van een poging tot verduistering, heeft hij deze ongedaan gemaakt, en werkgever heeft niet aangetoond dat hij dat slechts heeft gedaan omdat het “hem te heet onder de voeten werd”, hetgeen voor risico van de werkgever blijft. Geen dringende reden o.g.v. 7:678 lid 2 sub d en k BW. Na een onberispelijk dienstverband van 42 jaar kan niet worden aangenomen dat werknemer in de onderhavige omstandigheden het vertrouwen van de werkgever onwaardig is geworden, en evenmin is sprake van een grovelijke veronachtzaming van zijn plichten. Ook is niet komen vast te staan dat werknemer de bedoeling had het door werkgever genoemde volledige bedrag ten goede te laten komen aan de voetbalvereniging. Werkgever heeft geen schade geleden, werknemer is niet uit geweest op persoonlijk gewin. Ontbinding buitenproportioneel, op non-actiefstelling was al voldoende sanctie. Mede omdat werknemer te kennen heeft gegeven over 1 jaar met vroegpensioen te willen gaan en ontbinding in dat verband té ernstige financiële gevolgen zou hebben, en voorts alle omstandigheden tezamen beoordeeld is er geen sprake van een dusdanig verstoorde arbeidsverhouding dat deze niet meer kan worden voortgezet. Volgt afwijzing van het verzoek.