Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

De curator beroept zich als grondslag voor zijn vordering op de schending van de boekhoudplicht (BW art 2:10) door gedaagden en in het algemeen onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248. Art 2:248 lid 2 legt een verbinding tussen schending van de boekhoudplicht en kennelijk onbehoorlijke taakvervulling doordat het niet zorgen voor een zodanig deugdelijke administratie dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend, wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn van het faillissement. Uit de stellingen van gedaagden volgt dat de administratie aanvankelijk niet op orde is geweest als gevolg van “de complexe btw-problematiek". Dat moge zo zijn, en de administratie mag uiteindelijk dankzij de tussenkomst van de accountants De Jong & Laan op orde zijn gebracht, daarmee verliest het gegeven van de ondeugdelijke administratie in de jaren 2002 tot en met 2004 niet zijn waarde als sleutel voor de omkering van de bewijslast als bedoeld in art. 2:248 lid 2. Dat de bestuurders een rechtvaardiging menen te kunnen aanvoeren voor het niet op orde zijn van de administratie (in casu gedurende meer dan drie jaar) doet daaraan niet af. Dat aspect kan slechts een rol spelen bij de disculpatiemogelijkheid van art. 2:9 juncto art. 2:248 lid 3 BW.