Naar boven ↑

Rechtspraak

Het UWV heeft aan de ondernemingsraad (hierna: OR) gevraagd advies uit te brengen over een voorgenomen besluit betreffende Landing WIA. Die adviesaanvraag houdt onder meer in dat proefimplementaties (pilots) zullen worden uitgevoerd in twee regio's. De OR heeft meermalen aangegeven dat hij slechts een eindadvies geeft nadat de pilots hebben plaatsgevonden. Uit een nadien op 24 maart 2009 uitgebracht Rapport audit Landing Klantproces WIA (hierna het audit-rapport te noemen) blijkt dat de invoering van het klantproces WIA per 1 mei 2009 risicovol is. Ook de betrokkenen van de pilots hebben ernstige zorgen geuit over het nieuwe Klantproces, onder meer op het gebied van de geautomatiseerde ondersteuning. Op 9 april 2009 vraagt de bestuurder opnieuw advies aan de OR. De OR adviseert negatief. In reactie op dit negatieve advies bericht de bestuurder bij besluit van 28 april 2009 dat hij bij wijze van een tijdelijke maatregel vanaf 1 mei 2009 zal overgaan op een landelijke pilot implementatie Landing Klantproces WIA. De OR wijst erop dat dit besluit afwijkt van het advies en dat daarom de wettelijke opschortingtermijn in acht genomen moet worden. De ondernemingsraad heeft gesteld dat UWV bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit van 28 april 2009 heeft kunnen komen. De ondernemingsraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit van 28 april 2009 tot landelijke invoering van proefimplementaties inhoudelijk niet afwijkt van het voorgenomen besluit en in feite neerkomt op (het invoeren van) Landing WIA met een evaluatie op termijn. Volgens het UWV zou de opschortingstermijn tot een bezwaarlijke vertraging leiden en is voorts geen sprake van een belangrijk besluit in de zin van artikel 25 WOR.

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. In de onderhavige procedure kan in het midden blijven of het litigieuze besluit al of niet een wezenlijk ander besluit is dan het voorgenomen besluit. De Ondernemingskamer stelt op grond van hetgeen door partijen naar voren is gebracht, in het bijzonder de aangehaalde brief van de bestuurder, waarin deze meedeelt dat conform het voorgenomen klantproces-WIA gewerkt zal gaan worden, vast dat het op 28 april 2009 genomen besluit slechts in zoverre afwijkt van de (aanvankelijk) beoogde Landing WIA, dat er thans rekening mee wordt gehouden dat de invoering, na evaluatie, eventueel alsnog wordt teruggedraaid. Indien het standpunt van UWV dat op 28 april 2009 niet het voorgenomen besluit maar een ander besluit is genomen juist is, moet worden geoordeeld dat aan dat besluit ten onrechte geen adviesaanvraag vooraf is gegaan. Dat het besluit niet adviesplichtig als bedoeld in artikel 25 WOR zou zijn vanwege het gestelde omkeerbare karakter, kan naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet worden volgehouden. Het enkele feit dat een besluit een omkeerbaar karakter heeft, neemt niet weg dat het besluit belangrijk kan zijn. Daarnaast moet worden geoordeeld dat het genomen besluit een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming van UVW inhoudt en derhalve ingevolge art 25 lid 1 aanhef en onder g WOR adviesplichtig is. Immers het besluit is zo omvangrijk zowel wat betreft het aantal betrokken medewerkers (circa 1.200) als wat betreft het kwalitatieve belang ervan voor de onderneming van UVW, dat het heeft te gelden als belangrijk in de zin van voornoemd wetsartikel. Ook daaraan doet niet af dat het besluit teruggedraaid zou kunnen worden als de uitvoering ervan op onoverkomelijke of ernstige bezwaren zou blijken te stuiten. De slotsom is dat, indien het op 28 april 2009 genomen besluit een ander besluit dan het voorgenomen besluit zou zijn, UWV in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, reeds omdat is nagelaten terzake voorafgaand advies aan de OR te vragen.

Indien echter, zoals de OR meent, op 28 april 2009 overeenkomstig het voorgenomen besluit een besluit is genomen, zij het onder een andere naam, dan geldt dat UWV in strijd met artikel 25 lid 6 WOR heeft nagelaten de uitvoering van zijn besluit met een maand op te schorten. De verzochte voorlopige voorzieningen zijn - mede met het oog op artikel 26 lid 4 WOR - toewijsbaar.