Rechtspraak
Van Heck BV/werknemer
Werknemer is op 1 oktober 2009 krachtens schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Van Heck. Op deze arbeidsovereenkomst is een studiekostenbeding van toepassing. Daarin staat vermeld dat kosten van cursussen en opleidingen verhaald kunnen worden naar redelijkheid, te beoordelen door de werkgever. De arbeidsovereenkomst is per 1 juni 2010 geëindigd na opzegging door werknemer. Bij de eindafrekening verrekent Van Heck de kosten van de technische cursus ad € 1.175. Werknemer stelt zich op het standpunt dat de volledige toerekening van opleidingskosten in strijd is met artikel 6:248 BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Blijkens hetgeen tussen partijen is overeengekomen in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst, is Van Heck in beginsel gerechtigd om studiekosten terug te vorderen van werknemer. Volgens het vorenbedoelde artikel dient Van Heck bij haar beslissing tot terugvordering van studiekosten de redelijkheid tot uitgangspunt te nemen. Geoordeeld wordt dat, gelet op de omstandigheid dat het een cursus betreft die door werknemer kort voordat hij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd heeft gevolgd, Van Heck redelijkerwijs heeft kunnen besluiten tot terugvordering van de kosten betreffende de onderhavige cursus. Van Heck heeft aldus kosten gemaakt waarvan zij als gevolg van het ontslag van werknemer geen profijt heeft gehad. Daaraan moet worden toegevoegd dat uit de stellingen van werknemer moet worden afgeleid dat hij (gemotiveerd) betwist dat deze cursus in relevante mate heeft bijgedragen aan zijn 'waarde' op de arbeidsmarkt, zodat de juistheid van de betreffende stelling van Van Heck (die deze stelling ook niet verder heeft onderbouwd) niet is komen vast te staan. Werknemer heeft voorts niet gemotiveerd weersproken gesteld dat Van Heck hem min of meer verplicht heeft de cursus te volgen. Gelet op de vorenbedoelde feiten en omstandigheden moet als redelijk worden aangemerkt een beslissing waarbij Van Heck zou hebben besloten tot terugvordering van de helft van de betreffende studiekosten ad € 1.175, ofwel een bedrag van € 587,50. Nu vaststaat dat Van Heck het volledige studiekostenbedrag heeft verrekend met werknemer, is zij gehouden de helft hiervan aan werknemer te voldoen en is de vordering in zoverre toewijsbaar. Anders dan werknemer stelt is het studiekostenbeding niet in strijd met artikel 7:631 BW. Evenmin verzet artikel 7:632 BW zich tegen verrekening bij einde dienstverband.