Rechtspraak
Temminghof/verweerder
Werkneemster was sinds 1987 werkzaam bij Carint. In 2005 is tussen haar en Carint een arbeidsconflict ontstaan dat verband hield met een conflict tussen leden van het team waaraan werkneemster leiding gaf en werkneemster. Op 13 juli 2005 is zij door Carint uit haar functie gezet. Zij heeft zich op 25 juli 2005 ziek gemeld en heeft zich vervolgens voor juridisch advies tot verweerder gewend, met wie zij een overeenkomst van opdracht heeft gesloten. Deze overeenkomst vermeldt onder meer dat verweerder specialist ontslagrecht is. Deze jurist heeft bemiddeld in de beëindigingsregeling. Voorgesteld werd een ontbinding met C=1 per 1 november 2005, waarbij werd uitgegaan van een fictieve opzegtermijn van een maand. Nadat de arbeidsovereenkomst is ontbonden, bericht het UWV werkneemster dat zij pas per 1 februari 2006 recht heeft op WW. Daarnaast meldt de jurist van Carint dat zij verbaasd waren over het bod van C=1, daar zij in de gegeven omstandigheden minstens akkoord waren gegaan met C=1,2. Werkneemster stelt vervolgens verweerder aansprakelijk voor de schade. Zij verwijt hem onder meer geen vordering wedertewerkstelling te hebben ingesteld. De rechtbank en het hof oordeelden dat een dergelijke vordering weinig zin zou hebben gehad, althans niet zou hebben geleid tot een langer dienstverband dan tot na 1 februari 2006, omdat Carint dan een ontbindingsverzoek zou hebben ingesteld.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De eerste klacht komt erop neer dat het impliciete oordeel van het hof dat de kans dat de arbeidsovereenkomst van werkneemster na 1 februari 2006 nog zou voortduren nul was onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de kans dat Carint, indien werkneemster (met succes) wedertewerkstelling zou hebben gevorderd, daadwerkelijk (tijdig) een ontbindingsverzoek zou hebben ingediend, 100% is. Het hof heeft evenwel juist geoordeeld, omdat uit de gedingstukken blijkt dat de arbeidsverhouding verstoord was. Opmerking verdient hierbij nog dat de klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting, voor zover die ervan uitgaat dat het hof slechts mocht aannemen dat Carint een ontbindingsverzoek zou hebben ingediend, indien het hof van oordeel was dat de kans op indiening van zo'n ontbindingsverzoek 100% was.
Volgt verwerping van het cassatieberoep.