Naar boven ↑

Rechtspraak

Tjoapack/werknemer
Rechtbank Noord-Nederland, 18 mei 2011
ECLI:NL:RBASS:2011:BQ9733

Tjoapack/werknemer

Ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek beide partijen wegens ontbreken opleiding voor inschrijving QP en overtreding nevenwerkzaamhedenbeding grotendeels aan werkgever te wijten. Vergoeding op basis van opzegtermijn zes maandsalarissen

Werkneemster (50 jaar) is op 1 november 2009 in dienst getreden van Tjoapack in de functie van QA Manager. In de arbeidsovereenkomst is een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen. Het ministerie van Volksgezondheid heeft te kennen gegeven het verzoek om werknemer als QP (apotheker) te erkennen af te wijzen, omdat werkneemster niet over de benodigde universitaire opleiding beschikt. Omdat werkgever hierdoor een externe apotheker moet inhuren, heeft werkgever een salariswijziging voorgesteld. Dit wordt door werknemer geweigerd. Op 7 februari 2011 heeft werkneemster Tjoapack in kennis gesteld van het feit dat zij een bedrijf, Synthegra, had overgenomen en per 1 maart 2011 als financieel directeur voor Synthegra zou gaan werken. Daarom wilde zij per 1 maart 2011 bij Tjoapack 2 dagen minder in de week gaan werken en heeft zij bij brief van 8 februari 2011 verzocht om aanpassing van haar arbeidsduur. Tjoapack weigert dit. Thans vorderen zowel werkgever als werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu beide partijen om ontbinding verzoeken is er geen ruimte het verzoek af te wijzen. Voor beantwoording van de vraag of werkneemster een vergoeding toekomt, is bepalend of er sprake is van een dringende reden. De kantonrechter concludeert dat niet aan de maatstaven voor een dringende reden is voldaan. Tjoapack heeft niet ten minste aannemelijk gemaakt dat werkneemster haar een verkeerde voorstelling van zaken en/of onjuiste informatie heeft gegeven in de sollicitatieprocedure. Tjoapack had niet zonder meer op de informatie van werkneemster mogen afgaan. Met betrekking tot het verwijt dat werkneemster werkzaamheden in strijd met het nevenwerkzaamhedenbeding heeft verricht, stelt de kantonrechter vast dat ook dit verwijt Tjoapack er niet toe heeft gebracht de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen wegens een dringende reden, maar de loonbetaling te stoppen. Vervolgens is de vraag aan de orde of Tjoapack volledig zelf verantwoordelijk is voor de verandering in de omstandigheden, als gevolg waarvan wel of geen vergoeding zou hoeven te worden toegekend.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat beide partijen een verwijt valt te maken met betrekking tot het feit dat werkneemster niet de status van QP heeft verkregen. Tjoapack had voor de aanstelling kunnen en moeten onderzoeken of werkneemster daar gelet op haar opleiding en ervaring voor in aanmerking kwam en werkneemster is er, naar later bleek, te gemakkelijk ten onrechte vanuit gegaan dat zij daar recht op kon doen gelden. In de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter Tjoapack hier echter in overwegende mate verantwoordelijk voor. Anders ligt dat met betrekking tot het feit dat werkneemster zonder medeweten van Tjoapack tijdens haar dienstverband met Tjoapack actief is geweest ten behoeve van haar eigen bedrijf, ook al oefent dat bedrijf in geen enkel opzicht met Tjaoapack concurrerende activiteiten uit en hoe gering haar nevenwerkzaamheden in die periode ook zijn geweest. Ook al valt werkneemster hier het grootste verwijt te maken, toch kan zeker niet worden uitgesloten dat de activiteiten van werkneemster ten behoeve van haar eigen op te starten bedrijf mede het gevolg waren van de niet aflatende wens van Tjoapack om tot een andere invulling en/of beloning van de functie van werkneemster binnen haar onderneming te komen. Aansluiting zoekend bij de termijn die bij opzegging van de arbeidsovereenkomst voor Tjoapack zou gelden acht de kantonrechter een vergoeding van zes maanden salaris inclusief 8% vakantietoeslag ad € 54.537,82 bruto billijk.