Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/UWV
Centrale Raad van Beroep, 8 juni 2011
ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8169

werkneemster/UWV

Niet verschijnen op gesprek bij werkgever na herhaalde weigering passende arbeid te verrichten door arbeidsongeschikte werknemer, leidt tot arbeidsrechtelijk ontslag op staande voet en weigering WW-uitkering. Vixia-arrest geldt als uitgangspunt ook bij CRvB

Werkneemster is in dienst van een schoonmaakbedrijf. Zij heeft zich in oktober 2007 ziekgemeld wegens rugklachten. Werkgever heeft werkneemster begin 2008 opgeroepen passende werkzaamheden te verrichten, hetgeen werkneemster heeft geweigerd. Nadien heeft werkneemster diverse malen opnieuw geweigerd gehoor te geven aan oproepingen van werkgever passende arbeid te verrichten en over de re-integratie te komen praten, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot ontslag op staande voet wegens het stelselmatig niet meewerken aan haar re-integratie. Ook de kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden op grond van een dringende reden. Het UWV heeft vervolgens de WW-uitkering aan werkneemster geweigerd, wegens verwijtbare werkloosheid op grond van artikel 24 lid 1 sub a en b WW. Naar het oordeel van het UWV was de reis per openbaar vervoer naar de werkplek in X niet te belastend voor werkneemster, zodat sprake was van weigering passende arbeid te aanvaarden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In zijn uitspraak van 13 oktober 2010, LJN BO1558, heeft de Raad overwogen dat artikel 7:629 lid 3 BW voorziet in een specifieke sanctie op het zonder deugdelijke grond weigeren passende arbeid te verrichten. Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsverplichting bij ziekte heeft de wetgever de sanctie van geheel of gedeeltelijk verlies van het recht op loondoorbetaling voldoende afschrikwekkend geacht om te waarborgen dat de werknemer zijn eigen re-integratie serieus oppakt, zodat verdergaande sancties niet nodig zijn. In de memorie van toelichting is hierover opgenomen: 'In het bijzonder laat het wetsvoorstel niet toe dat de werkgever de werknemer die andere passende arbeid dan de bedongen arbeid weigert, op staande voet ontslaat' (Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr. 3, p. 60). In het enkele feit dat een werknemer niet hervat in voor hem passende werkzaamheden is dus geen arbeidsrechtelijke dringende reden gelegen. Waar ook in het geval van werkneemster geldt dat haar herhaalde weigering om op en na 24 juni 2008 passende werkzaamheden te verrichten op zich geen arbeidsrechtelijke dringende reden oplevert, ligt de vraag voor de hand of die dringende reden wel aanwezig is als appellante daarenboven weigert gevolg te geven aan de oproepen van de werkgeefster om over haar re-integratie een gesprek te hebben. De Raad volgt het UWV in zijn standpunt dat het niet verschijnen van appellante op 20 oktober 2008, bezien tegen de achtergrond van de voortdurende weigering van appellante om in de door de werkgever op advies van de bedrijfsarts voorgestelde zin invulling te geven aan zijn verplichting om appellante te re-integreren, is aan te merken als een arbeidsrechtelijke dringende reden. De weigering van de WW-uitkering is derhalve terecht.