Rechtspraak
werknemer/Tjongerschans
Werknemer is voor onbepaalde tijd in dienst van Tjongerschans. Op enig moment is werknemer aangesteld als bemiddelaar. Om te voorkomen dat werknemer nadeel zou ondervinden van de bemiddeling, zijn tijdens het dienstverband verschillende inkomensgaranties overeengekomen. In 2006 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt. Omdat verdere re-integratie van werknemer niet mogelijk bleek, heeft Tjongerschans de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het ontbindingsverzoek is toegewezen onder toekenning van een vergoeding van € 180.000 (C=1). Thans vordert werknemer nakoming van de inkomensgarantie tot aan 65-jarige leeftijd. Werknemer stelt dat er geen enkel voorbehoud is gemaakt op de contractuele afvloeiingsregelingen en dat de garanties gelden voor alle gevallen waarin de arbeidsrelatie tot een einde komt. Tjongerschans stelt dat zij niet gehouden is tot nakoming en beroept zich onder meer op de uitleg van de overeenkomst en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
De kantonrechter oordeelt dat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst de inkomens- en pensioengaranties uitdrukkelijk door de kantonechter buiten beschouwing zijn gelaten, waardoor werknemer ontvankelijk is in zijn vorderingen. Indien de rechter in de ontbindingsprocedure – zonder bekend te zijn met een tussen partijen overeengekomen afvloeiingsregeling – een billijkheidsvergoeding heeft toegekend, dan dient de rechter die in een latere procedure heeft te oordelen over de vordering tot nakoming van de afvloeiingsregeling, de toegekende ontbindingsvergoeding in zijn beschouwingen te betrekken, indien het debat van partijen daartoe aanleiding geeft. Uitgangspunt in de nakomingsprocedure is dat de afvloeiingsregeling moet worden nagekomen. Indien de werkgever zich op het standpunt stelt dat in verband met de toegekende ontbindingsvergoeding nakoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan dient de rechter op grond van zijn uitleg van de overeenkomst vast te stellen of partijen daarbij rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat naast een afvloeiingsregeling door de rechter een ontbindingsvergoeding wordt vastgesteld. Indien partijen daarmee rekening hebben gehouden, zal in het algemeen geen sprake zijn van onaanvaardbaarheid. Indien partijen hiermee geen rekening hebben gehouden, kan van onaanvaardbaarheid sprake zijn. In verband met de terughoudendheid die bij de toepassing van deze maatstaf is geboden, zal hiervan slechts bij hoge uitzondering sprake zijn (zie HR 2 april 2004, NJ 2006, 212 en HR 25 juni 2004, NJ 2006, 213).
De kantonrechter oordeelt voorts dat anders dan werknemer meent, de overeengekomen contractuele afvloeiingsregeling niet als vaststellingsovereenkomst is aan te merken. De laatste inkomensgarantie is op rechtsgeldige wijze tot stand gekomen. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever valt onder de bewoordingen 'ontslag door de werkgever' zoals overeengekomen in de garantiebepaling. Werknemer heeft derhalve recht op de overeengekomen garantie tot aan 65-jarige leeftijd (hieronder valt ook voortzetting van de pensioenopbouw). Aan het standpunt van Tjongerschans dat werknemer op 60-jarige leeftijd met flexpensioen zou gaan, gaat de kantonrechter voorbij, nu dit niet schriftelijk is overeengekomen. Dat een beroep op de inkomensgarantie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft Tjongerschans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat werknemer een ontbindingsvergoeding heeft ontvangen, is onvoldoende. Wel acht de kantonrechter het redelijk dat de genoten inkomsten uit een WW-uitkering of andere ontvangen uitkeringen in mindering worden gebracht op de inkomensgarantie.