Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 september 2011
ECLI:NL:GHARN:2011:BT5851
werknemer/Hebo Verhuur BV
Werknemer is op 3 september 2007 bij Hebo in dienst getreden. Hebo deelt samen met Bouwmeester Parket een magazijn. In 2008 en 2009 zijn er een aantal keren pallets met laminaat van Bouwmeester Parket uit het magazijn verdwenen. In de nacht van 31 augustus op 1 september 2010 zijn wederom enige pallets ontvreemd, waarna beveiligingscamera's in het pand zijn geplaatst. In de nacht van 19 op 20 september 2010 zijn er uit het magazijn vier pallets met laminaat ontvreemd. Op 22 september is werknemer aangesproken op verdenking van diefstal. Tijdens dat gesprek heeft werknemer schriftelijk zijn ontslag ingediend. In de ontslagbrief staat: 'Graag wil ik per direct, 22 september 2010, mijn ontslag indienen. Ik heb hiervoor een gegronde reden, al geruime tijd heb ik goederen van jullie ontvreemd. Hierbij wil ik afzien van al mijn opgebouwde tegoeden betreffende overuren, vakantiedagen en vakantiegeld.' Kort daarna doet werknemer aangifte bij de politie van mishandeling door de directeur van Hebo. Deze vervolging wordt geseponeerd. Na de ontslagname is werknemer alsnog voorwaardelijk op staande voet ontslagen. In deze procedure staat de vraag centraal of de ontslagname en het ontslag op staande voet rechtsgeldig zijn.
Het hof oordeelt als volgt. In hoger beroep stelt werknemer – voor het eerst – dat deze ontslagname niet door hem is ondertekend. Het hof is van oordeel dat de passage in de inleidende dagvaarding in paragraaf 2, laatste volzin: 'Onder druk van de voor eiser geldende omstandigheden heeft hij de betreffende verklaringen ondertekend' moet worden aangemerkt als een gerechtelijke erkentenis dat de handtekening onder de verklaringen van werknemer is, en dat hij deze slechts op de in artikel 154 Rv, tweede lid, genoemde gronden kon herroepen. Werknemer heeft in het geheel geen verklaring voor deze standpuntwijziging gegeven, zodat van een geldige herroeping niet is gebleken. De bewijslast dat sprake is van een ontslagname die onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, berust bij werknemer. Voor de stellingen van werknemer dat zijdens Hebo fysiek geweld is gebruikt om hem tot ontslagname te dwingen heeft hij onvoldoende bewijs geleverd. De aangifte die hij tegen zijn directeur heeft gedaan is daartoe onvoldoende, omdat die alleen op zijn eigen verklaring berust. Weliswaar constateert de dienstdoende verbalisant enige (lichte) verwondingen bij werknemer, doch daarmee is bepaald niet aangetoond dat die verwondingen (mede) zijn veroorzaakt door de directeur van Hebo. Enig ander bewijsmiddel dat steun geeft aan die verklaring ontbreekt. Voor zover werknemer aanvoert dat hij onder grote (psychische) druk ontslag heeft genomen, kan die stelling moeilijk los worden beoordeeld van wat er nu precies waar is van de beschuldigingen omtrent de diefstallen die werknemer volgens Hebo gepleegd zou hebben. Werknemer heeft een aantal bezwaren aangevoerd tegen de conclusies die de kantonrechter uit de getoonde camerabeelden heeft getrokken. Deze bezwaren zijn voor het hof moeilijk toetsbaar nu de camerabeelden geen deel uitmaken van de processtukken die partijen in het geding hebben gebracht. Hebo heeft haar stellingen omtrent de diefstal niet alleen met de camerabeelden gestaafd, maar ook met een groot aantal getuigenverklaringen, die in appel deels in twijfel worden getrokken. Wat er precies juist is van de beschuldigingen over en weer kan het hof niet beoordelen zonder nader onderzoek van de feiten, waarvoor deze kortgedingprocedure zich niet leent. Daartoe dient de meest gerede partij een bodemprocedure aanhangig te maken.