Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer, internationaal chauffeur, is op 1 november 2009 voor bepaalde tijd in dienst getreden. Deze overeenkomst is zonder tegenspraak voortgezet. Op 22 maart 2011 is werknemer te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst per 1 november 2011 niet zal worden verlengd. Werknemer heeft zich op 29 april 2011 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid. Werkgever heeft de loonbetaling op 14 juni 2011 gestopt, omdat werknemer ook nadat voor de tweede keer is geoordeeld dat er geen medische beperkingen zijn, weigert aan het werk te gaan. Op 26 juli 2011 heeft werknemer bijkomende ernstige gezondheidsproblemen gekregen. Werknemer vordert loon vanaf 14 juni 2011 tot het rechtsgeldig eindigen van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever erkent vanaf 26 juli 2011 het loon verschuldigd te zijn, hetgeen volgens werkgever ook is betaald. Deze vordering is toewijsbaar, nu werkgever de betaling hiervan niet heeft aangetoond. Ten aanzien van de loonvordering van 14 juni 2011 tot 26 juli 2011 is op grond van twee deskundigenoordelen voldoende aannemelijk dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Er was al geruime tijd sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. De vordering kan derhalve op grond van artikel 7:629 BW niet worden toegewezen. Ook het beroep op artikel 7:628 BW faalt. Dat werkgever zich, zoals werknemer stelt, schuldig maakte aan pesterijen en treiterijen, is onvoldoende concreet gemaakt.